Verlangen naar wat niet was

Ik kan hevig terug verlangen naar mijn tijd bij het Cirque du Soleil. Naar mijn rol op het grote podium, vol in de schijnwerpers, avond aan avond, stad na stad, land na land. Naar de gezichten van het publiek dat, zonder dat ze het door hadden, in een andere wereld waren gestapt op het moment dat de plaatsaanwijzers de deuren van de tent sloten, het licht doofde en ergens voorzicht een viool begon te spelen. 

Ik kan hevig terug verlangen naar een tijd die er nooit geweest is. Want ik stond niet op het podium. Ik werkte in een vrachtwagentrailer zo’n honderd meter verderop waar vanuit de kaarten voor de show werden verkocht. Ik was geen artiest, ik was boxoffice supervisor. Een keer stond ik op het podium. Toen alle collega’s die normaal gesproken niet op het podium staan, technici, koks, supervisor, de show opvoerden voor de artiesten die voor een keer zelf het publiek waren. De rol van het hoofdkarakter in de show, een clownesk-achtige acteur, had ik naar mezelf toegetrokken. 

‘Je doet het eigenlijk leuker dan degene die het op dit podium dag in, dag uit doet’. Wie het fluisterde weet ik niet meer. Wel nog waar ik was. In Madrid, helemaal aan het begin van dit millennium. Zonder dat ik het wist werd ik door Caroline aangemeld voor een auditie van het circus in Barcelona. Over de hele wereld werden er castings georganiseerd en dit keer, in Barcelona, waren ze op zoek naar ‘physical actors/comedians’. Omdat ik het pas kort van te voren had gehoord was ik niet voorbereid. Mijn mede-auditanten hadden allemaal een act van drie minuten in elkaar geknutseld en waren druk bezig met de voorbereiding daarvan toen ik binnenstapte. Terwijl zij de stelten onder bonden, maskers op hun achterhoofden zetten en de gezichten schminkten pakte ik een klapstoel en probeerde wat uit. Toen het mijn beurt was heb ik drie minuten lang met die klapstoel iets geimproviseerd. Wat het was en hoe het ging weet ik niet meer. Wel dat er veel gelachen werd. Gedurende de dag vielen er steeds meer mensen af en uiteindelijk bleven er maar drie over. Samen met twee anderen werd ik opgenomen in de talenten databank van het circus en zou ik gebeld kunnen worden als er een rol was die me zou passen. Dichterbij dat grote podium kwam ik nooit meer. Een paar jaar later, ik werkte inmiddels niet meer voor Cirque, werd ik nog eens uitgenodigd voor een auditie in Parijs die ik geweldig verknalde. Daarna kwamen de jaren vol angst, paniek, onzekerheid en die van de altijd grijze luchten in het Amsterdamse Bos en Lommer. En nu, nu dreigt Cirque du Soleil failliet te gaan. Met dank aan een investeringsmaatschappij, slecht management en een man op een markt in China die trek had in een gordeldier. De laatste dagen trekt er een karavaan van oud-collega’s door mijn hoofd. Ik zie Laurina, Mattijn en Suzanne, Anna en Marian, Rachid, Melle en Vincent. En ik zie Rolf, lieve Rolf.

Mijn droom om ooit óp dat podium te staan, een droom die stevig op slot ging na de laatste auditie in Parijs, lijkt nu voorbij. Het is anders gelopen. Anders dan ik had gewild. En daarom voel ik heimwee. Heimwee naar een tijd die er nooit geweest is.

 undefined

Tijdens een promotie-evenement voor Quidam van Cirque du Soleil in Berlijn, 1999. Foto: Laurina Krommendijk

Kip het meest veelzijdige stukje kaarsvet!

Samen met Sieger, Erik, Jeroen en Dennis maakte ik aan het begin van deze eeuw een pilot voor een komisch sketchesprogramma. We noemden het Nieuw Dier en waren er van overtuigd dat ‘men’ op ons zat te wachten. Dat bleek niet helemaal het geval. Het duurde lang voordat het werd verkocht en tegen die tijd was ik er zo klaar mee dat ik besloot om er, samen met mijn jeugdige principes, uit te stappen. Met z’n vieren gingen ze door en maakten een aantal afleveringen die bij RTL werden uitgezonden. In een afgeslankte vorm keerden Dennis en Jeroen later terug met hun programma Draadstaal waarin ik nu ik af en toe een gastrol mag spelen. 

Een van de leukste scènes uit Nieuw Dier is die waarin een man reclame maakt voor kip. De man moet de tekst ‘Kip het meest veelzijdige stukje vlees, kip!’, zingen. Maar dat lukt hem niet omdat hij op het eind van de zin niet meer weet hoe deze precies eindigt. ‘Kip het meest veelzijdige stukje kaarsvet. Kip het meest veelzijdige stukje Kees Kist. Kip het meest veelzijdige stukje kaas kip.’

Jeroen doet dat fantastisch. Een van de beste Nederlandse acteurs heeft eens gezegd dat hij jaloers is op zijn elementaire spel. Het lijkt zo eenvoudig wat hij doet maar het tegendeel is waar. Op dit moment vind ik Jeroen zelf een van de allerbeste acteurs. 

En nee, dat had ik niet verwacht. Toen we twintig jaar geleden samen op de Toneelacademie in Maastricht zaten heb ik me eens laten ontvallen dat het mij verbaasde dat hij was aangenomen. Noem het jeugdige onbezonnenheid. Noem het misplaatste arrogantie. Noem het, nou ja, noem het iets. Na het jaar op de Toneelacademie bleven we contact houden wat niet alleen leidde tot het maken van Nieuw Dier maar ook tot het inspreken van reclames. Samen spraken we jarenlang reclames voor Wehkamp in. Daarna ben ik alleen verder gegaan en was ik bijna vijf jaar lang ‘de stem’ van Gamma. 

Aan het begin van dit jaar, Corona was nog een onschuldig Mexicaans biertje, werd ik gevraagd om een klein tekstje in te spreken voor een grote verzekeringsmaatschappij. Het had weinig om het lijf en ik dacht met een kwartier klaar te zijn maar het liep anders. In de studio waren twee mensen van het reclamebureau en twee mensen van de verzekeringsmaatschappij aanwezig. Ik deed ongelooflijk mijn best om het tekstje van niks zo goed mogelijk in te spreken maar het lukte niet. Na ongeveer veertig takes en een groeiend chagrijn van mijn kant stond het erop. Op de fiets naar huis probeerde ik na te gaan wat er nou eigenlijk gebeurd was. Waarom ik, met al mijn ervaring, er niet in was geslaagd om die paar zinnen even met speels gemak in te spreken. Ik zocht contact met de eigenaar van de geluidsstudio maar hij wist het ook niet precies. 

‘Tja, het lukte niet om dat wat hij in zijn hoofd had door jou te laten uitspreken’, hoorde ik.

‘Ja, maar dán moet hij het ook gewoon zelf doen’, zei ik.

‘Dat heeft hij ook gedaan’, was het antwoord.

‘Wat?’

Nadat ik weer op de fiets naar huis was gestapt en me afvroeg waarom het nou zo moeizaam was gegaan was de man van het reclamebureau zelf achter de microfoon gekropen om de tekst, precies zoals hij die in zijn hoofd had, in te spreken. 

’T komt niet vaak voor maar soms gebeurt het’, zei de eigenaar van de geluidsstudio die me op het hart drukte dat het niet aan mij lag. ‘Hoewel je wel een beetje op moet passen dat je je ergernis niet te veel laat doorschijnen’, zei hij. En daar hij had een punt. Na de tekst een keer of dertig te hebben ingesproken werd ik een beetje kriegelig. Onwillekeurig dacht ik aan de kipcommercial van Nieuw Dier waarin het de acteur niet lukt om deze tot een goed einde te brengen. De rest van die dag had ik de hele tijd hetzelfde deuntje in mijn hoofd: ‘Kip het meest veelzijdige stukje vlees, vis!’

https://www.youtube.com/watch?v=9s4vbphXifA

Compaan in tijden van corona

Maandag wordt mijn oma 95 jaar. Het wordt haar eerste verjaardag na de dood van mijn opa in augustus vorig jaar. En omdat ze in een verzorgingstehuis zit zal ze ook echt alleen zijn. Bezoek is al een paar weken niet meer toegestaan en sinds kort mag ze ook niet meer van de tweede etage naar het winkeltje op de begane grond. Alles om besmetting met het corona-virus te voorkomen. Omdat ze zeer slechthorend is heeft bellen geen zin. Maar sinds kort is er een alternatief. Compaan heet het. Het is een portal voor oudere mensen zonder enige kennis van zaken over het internet. Mijn oma valt precies in die doelgroep. Nooit moest ze er iets van weten. Mijn opa wel. Die dwaalde aan de hand van Google Maps door de straten van het Indonesische Semarang waar hij eind jaren veertig door de Nederlandse regering naar toe was gestuurd. Een deel van hem is daar altijd gebleven. Misschien zocht hij zichzelf wel terug als hij achter de computer kroop. Sinds mijn opa is overleden is de Compaan de levenslijn naar mijn oma. En helemaal nu. Als ik een foto of bericht doorstuur wordt het binnen vijf minuten door haar gezien en het lukt haar steeds beter om de berichten te beantwoorden. Afgelopen zondag stuurde ik twee foto’s van mezelf op de fiets door de bollenstreek. De dag erna kreeg ik een bericht van haar. Of ik niet meer naar de bollenstreek wilde gaan. Want dat mocht niet. Had ze gelezen op het nieuws. Via haar Compaantablet. 

Mijn vader en moeder staan elke middag om half vier onder haar balkon. Ze zwaaien en kletsen wat. Al blijft het beperkt tot een paar zinnen en een stijve nek. Twee weken geleden ben ik samen met mijn vriendin naar Deventer gegaan om mijn oma te verrassen. We hadden bloemen gekocht op de markt in Olst. Gele tulpen. Vijftig stuks. Mijn oma stond al op het balkon toen we aan kwamen lopen. ‘Jullie mogen niet naar binnen hoor’ riep ze. Ik schreeuwde terug dat ik dat wist. We zwaaiden. Ik liet haar de bloemen zien en gaf ze af bij de receptie. Ik vertelde haar dat we bij het graf van opa waren geweest. Dat we daar ook bloemen hadden neergelegd. Zonnebloemen, omdat die ook in de kerk hadden gestaan tijdens de afscheidsdienst. Mijn oma verstond het niet. Ik riep het nog een keer. Nu harder. De mensen in de straat wisten nu ook dat ik bij het graf van opa was geweest. Mijn oma knikte. Toen zei ze: ‘O, maar ik heb genoeg vazen voor de bloemen hoor’. 

In de auto op weg naar Haarlem stuurde ik haar via Compaan een berichtje. Ik deed er een paar foto’s bij van de zonnebloemen op het graf. Het duurde wat langer dan normaal voordat ze het bericht gelezen had. Een uur later kreeg ik antwoord. Ze was wel even bezig geweest om de bloemen op de vaas te zetten. Drie vazen met gele tulpen had ze nu staan. En het graf, waar ze nu zelf niet naar toe kan, lag er mooi bij schreef ze.

 

4887ec5b-5214-43d5-8dde-01ed55cef85a

Een ander geluid

Het was uitzonderlijk stil in het bos. Er vloog geen vliegtuig overheen en in plaats van de auto’s op het circuit van Zandvoort hoorde je nu in de verte de zee ruisen. De mezen, vooral kool- en pimpelmezen, vlogen van tak naar tak. Van struik naar struik. Van boom naar boom. Aangekomen op een takje floten ze. Dat doen mezen. Ze fluiten en ze vliegen. Een stuk hoger in de bomen, vaak sparren, zitten de spechten. De grote bonte spechten. Soms tikken ze heel zachtjes op een stuk schors. Alsof ze weten dat zich achter de deur  een groot verdriet bevindt en ze daarom maar voorzichtig kloppen. Soms ook hanteren ze de stormram. Dan echoot het ritmische getik door het hele bos. Spechten laten zich niet graag zien. Ze zitten meestal net aan de verkeerde kant van de boomstam. Als je om de boom heenloopt lijken ze met je mee te draaien. Je hoort ze wel maar ziet ze niet. Bijna niet. Als ze vliegen maken ze een geluid. Geen mooi geluid. Niet zoals de mezen of de merels. Het is een soort gekras. Op het oog lijken ze luie vliegers. Ze stijgen een beetje door met hun vleugels te klapperen. Als ze op de gewenste hoogte zijn houden ze de vleugels stil waardoor ze in een glijvlucht weer dalen. Het ziet er speels uit. Ik wou dat ik het kon. Hoog boven de bomen zweven de buizerds. Vanochtend waren het er zes bij elkaar. Ze maakten veel herrie. Het was een schel en hoog geluid. Niet fraai. Ook niet stoer zoals je misschien zou verwachten van een roofvogel. 

Bij de Oosterplas was het drukker dan normaal op een doordeweekse dag. Ik liep langs de rand van het duinmeertje en tuurde in het water. Gisteren had ik gezien dat er overal padden zaten. Vandaag leken het er nog meer. Sommige padden zaten op elkaar. De dubbeldekkers zwommen langzaam of lagen op het zand van de bodem. 

‘De witte smaakt meer naar mint’, hoorde ik een man zeggen. ‘Nee, de witte smaakt juist naar drop’, zei een meisje. Een paar meter voor me stond een man samen met drie jonge  meisjes aan de waterkant. Ze wezen elkaar op de padden. ‘Misschien heb ik het dan niet goed geproefd’, zei de man. ‘Dus dan moet ik er nog maar eentje nemen’. Alle vier namen ze nog een snoepje. Het groepje kwam in beweging en liep op mij af. Het pad was daar smal. ‘Anderhalve meter afstand houden’, zei de man en negeerde vervolgens zijn eigen advies door dicht langs me te lopen. De twee meisjes daarachter volgden zijn spoor. Het achterste meisje ging zo ver naar de zijkant van het smalle pad dat ze bijna natte voeten kreeg. De padden deed het schijnbaar niets. Ze hadden wel wat anders aan hun kop. 

 

3A6286FE-3412-44E3-9A63-33B125516F0B

Pamflet tegen paniek

Vanochtend fietste ik over de Nieuwe Groenmarkt en zag een vrouw in de zon zitten. Ze had een biertje in haar hand en zat met haar rug tegen een wit kerkgebouw. Naast de kerk is een opvangtehuis voor dak- en thuislozen. Er kan een maaltijd worden gegeten, koffie  gedronken en een spelletje gespeeld. 

Ik was op weg naar een drogist omdat ik al een paar weken last heb van mijn keel met af en toe wat hoofdpijn daarbij. Bij de eerste drogist was de paracetamol op. Bij de tweede ook. Bij de derde ook. De goedkope paracetamol dan. De duurdere, niet van het huismerk, was er nog wel. Gelukkig zorgt mijn fysieke malheur niet voor diarree. In de twee supermarkten waar ik vandaag was bleek het WC papier uitverkocht.  

De berichtgeving rondom het corona-virus zorgt ervoor dat er een deken van paniek over het land uitrolt. Met de berichtgeving bedoel ik niet de dagelijkse updates die het RIVM afgeeft of de maatregelen die het kabinet neemt. Nee, ik heb het over de paniek die we elkaar aanpraten. Op straat, in het openbaar vervoer en in de café’s gaat het nog maar over een ding: corona. Het gevolg is paniek. Paniek die mensen noopt veel meer in te slaan dan nodig is. Ik zag gisteren een supermarktwagentje van iemand die voor minstens twee maanden wc papier insloeg. Slim. Misschien. Maar ook egoïstisch. De golf van instabiliteit die het corona-virus veroorzaakt wordt teniet gedaan door een tweede, veel grotere golf die over de eerste heen blaast: het paniekvirus. 

Na een jarenlange paniekstoornis ben ik een expert op dat gebied geworden. Door talloze paniekaanvallen tussen mijn twintigste en mijn dertigste leerde ik dat paniek om niks, want tijdens zo’n aanval ís er geen levensbedreigende situatie, wel degelijk bakken met energie kost. En dat is ook wat er nu in het land gebeurt. Er gaat ontzettend veel aandacht naar het omgaan met de paniek. En om de paniek te lijf te gaan worden er massaal pillen en wc rollen ingeslagen.

Uit de huidige situatie blijkt dat we niets meer gewend zijn en als gevolg daarvan het gezonde verstand totaal verliezen. Beter zouden we ons bezinnen op wat we moeten doen als het een keer echt misgaat. Als de opwarming van de aarde geen halt wordt toegeroepen en als we blijven toegeven aan onze luxe-eisen zoals vliegen, winkelen, vlees, pas dan, pas dán ontstaat er een point of no return. Inmiddels zijn we hard op weg om dat punt te bereiken. En met al het nu ingeslagen wc papier valt straks geen huis te isoleren of dijk te bouwen. Je drijft hoogstens weg op een berg papier-maché.

Het corona-virus zou wat mij betreft tot een zekere mate van nederigheid moeten leiden. Het leert ons dat de wereld niet maakbaar is. Dat wij als mensen niet onschendbaar of ongenaakbaar zijn. Dat we niet onbeperkt en zonder gevolgen kunnen kopen, eten en reizen. Dat we te veel binnen zitten in plaats van buiten. En dat wanneer we buiten zijn we te veel naar binnen zijn gekeerd. Dat er heel, heel weinig voor nodig is om de wereld op z’n kop te zetten. Dat de economie en al het geld dat daar in omgaat op vertrouwen is gebaseerd. En dat het laat zien hoe belachelijk en ongelooflijk gevaarlijk dat laatste is. We blijken op dun ijs te staan zonder het te weten. En door de paniek die nu ontstaat begint het ijs plotseling te scheuren en zien we de diepte daaronder.

Maar wie op dun ijs staat hoeft daar helemaal niet doorheen te zakken. Wel vereist het verantwoordelijkheid en een visie. Een visie die verder gaat dan het eigen individu. Een visie die bovendien hand in hand gaat met het gezond verstand. Luister naar je eigen lichaam en kijk om je heen zonder de bril van paniek op je neus.

Of ga, zoals de vrouw op de Nieuwe Groenmarkt, rustig in de zon zitten en geniet van de vogels die voorzichtig de lente aankondigen.

 

spring-bird-2295434_1920

Zijn naam was Christaan

Zijn naam was Christiaan van Keulen. En hoewel hij net als ik in 1976 werd geboren is er over hem  niets te vinden op social media. Niet op Twitter, Facebook, Instagram en niet op LinkedIn. Christiaan overleed lang voordat het internet ons leven overnam. 

Ik liep in de lente van 1994 een krantenwijk in Olst. De kranten haalde ik op bij de familie Olthuis aan de Aaldert Geertsstraat. Een van de zonen Olthuis zat bij mij in de klas op de lagere school. Ik herinner me dat we in de laatste klas op kamp gingen. Willem-Jan mocht niet mee. Zijn ouders waren lid van een streng Christelijke gemeenschap die dit soort uitjes niet toestond. Wel was hij bij de IJssel waar hij ons uitzwaaide toen wij met de boot naar Hattem vertrokken. Vanuit de Aaldert Geertsstraat fietste ik langs de oude kerk en over het spoor de Spoorstraat in. Daar begon mijn krantenwijk. Ik luisterde naar muziek via mijn discman. Nirvana, Pearl Jam, Soul Asylum. Altijd op shuffle. Via een geitenpaadje achter de slachterij langs kwam ik bij Het Hooge. Daar stonden twee huizen omzoomd met fruitbomen en allebei hadden ze een abonnement op het Sallands Dagblad. Het dagblad was een middagkrant die alleen op zaterdag ’s ochtends moest worden bezorgd. Ook op zaterdagmorgen reden de vrachtwagens afgeladen met varkens over de Industrieweg om de dieren af te leveren voor de slacht. Als de deuren van de slachterij openstonden zag ik hoe ze uit de wagens werden geschopt. Het rook er vaag naar kroketten. Na de Industrieweg sloeg ik de Jan Hooglandstraat in. En dan, via de Koekoeksweg, naar de Diepenveenseweg. Daar had ik pech mee. Het ging namelijk maar om een adres maar het was een flink stuk fietsen voor maar een krant. De boerderij stond een stuk van de weg af en wanneer ik het grindpad op fietste was ik altijd extra alert en iets gespannen. De vrouw des huizes had niet lang geleden zelfmoord gepleegd. Ze was op het spoor, dat achter hun huis liep, gaan liggen. De poging slaagde niet meteen. Haar benen werden eraf gereden en uiteindelijk bloedde ze dood op het baanvak tussen Deventer en Olst. Nadat haar vrouw zelfmoord pleegde was ik altijd bang dat ik de weduwnaar zou zien hangen in de schuur of in de woonkamer. Want hoe kom je over zoiets vreselijks heen dacht ik. 

Op een donderdagmiddag las ik een klein bericht op de voorpagina van de krant. Er was een jongen in Bathmen aangereden en de bestuurder was na het ongeval doorgereden. Een dag later stond op de voorpagina dat de bestuurder was gevonden. Hij had te veel gedronken. De jongen was overleden. Op zaterdagochtend bekeek ik de overlijdensadvertenties in de krant. Misschien was het wel een perverse nieuwsgierigheid. Ik wilde weten wie de jongen was die in Bathmen was verongelukt. Ik zag zijn naam, Christiaan van Keulen. Ik vloekte. Het was stil op straat. Niemand had me vast gehoord. Ik had samen met Christiaan op de MAVO gezeten. Op het Hegius, waar zijn vader economieleraar was. Meneer Van Keulen droeg in die tijd het bedrijfsuniform van een economieleraar; bruine corduroybroek, een bruine of rode, fijn gebreide trui en Mephistos die zacht kraakten in de gangen van de school. Christiaan was hoogblond en had lange stekels. In zijn gezicht waren de laatste sporen van jeugdpuistjes te zien. Zijn lichaam transformeerde zich van jongen naar man. Een keer kwam hij bij me langs in Olst. Ik voelde me stoer. Het kwam nooit voor dat iemand uit de grote stad, Deventer, de moeite nam om naar Olst te komen. We gingen samen naar de kermis. 

Bijna 26 jaar na zijn dood google ik zijn naam en vind alleen twee advertenties. Een van vlak na zijn overlijden en een in memoriam van vorig jaar. Verder bestaat hij niet op het internet en in de wereld waarin we nu leven. Daarom. Zijn naam was Christiaan. Christiaan van Keulen.

 

1-7 en het afscheid van mijn jeugd

SC Telstar, scoor die goal, scoor die goal, scoor die go-ho-hoool. De kale man achter mij op de tribune schreeuwde zijn keel schor. Hij kreeg geen bijval uit het publiek. Het bleef stil op de tribune. Ook de spelers hoorden hem niet. Telstar verloor met 1-7 van NEC dat daarmee de grootste uitzege uit hun historie boekten.  

Samen met mijn neefje en een vriendje van hem was ik speciaal naar deze wedstrijd gegaan want de overbuurman van mijn neefje is de aanvoerder van NEC. ‘Ik ben voor NEC’ zei mijn neefje. ‘Ik ook’, zei zijn vriendje. Dat is prima zei ik maar we zitten tussen de Telstarsupporters. Ik vertelde hen het verhaal over mijn oud-collega Georges tijdens een Champions Leaguewedstrijd tussen Arsenal en Bayern München. Twintig jaar geleden zaten we in het oude stadion van Arsenal naar de wedstrijd te kijken in een vak met alleen maar Arsenal fans. Georges, geboren met een hart dat alleen maar klopt voor Bayern München, veerde op toen de Duitsers het eerste doelpunt maakten. Daarnaast schreeuwde hij iets in het Duits. Keihard.De collectieve haat in de blikken van de supporters om ons heen hebben mij verrast. Ik waarschuwde hem dat we tussen de Engelsen zaten en hoopte dat Arsenal snel de gelijkmaker zou scoren. Dat gebeurde niet. Het werd 0-2. Georges, inmiddels ook wat wijzer geworden, greep mijn bovenbeen en kneep er stevig in terwijl hij hoge kirgeluidjes uitstootte. Ik vond het prima. Een blauwe plek door ‘friendly fire’ kwam een stuk sympathieker op me over dan een horde woedende Arsenalfans.

Nadat NEC op 0-1 was gekomen pakte mijn neefje mijn bovenbeen en kneep erin. Niet zo hard als Georges en meer voor de vorm want zo’n enorme fan van NEC is hij nou ook weer niet. Of eigenlijk  helemaal niet. Hij is supporter van het Franse Elftal en van Paris Saint Germain. Tijdens de rust stond het 1-4. De hoop op het wonder van IJmuiden sloop zachtjes het stadion uit. Na de rust ging ik even naar de wc. Daar nam ik definitief afscheid van mijn jeugd. Naast mij stond namelijk een jongeman met zo’n krachtige straal te plassen dat hij zijn naam in het metaal van de pisbak had kunnen stansen. Lukt mij niet meer. ‘Das war einmal’, dacht ik. 

Weer terug op de tribune zag ik dat NEC op 1-5 was gekomen. Doelpuntenmaker was de overbuurman van mijn neefje. Dat doelpunt had ik dus gemist. Hij trouwens ook omdat hij op dat moment net even naar het publiek aan het kijken was. Vanaf de tribune klonk het gebruikelijke gescheld op de scheidsrechter. Ik voelde vooral compassie voor de man. Het was nota bene een Belg die een wedstrijd in Nederland mocht fluiten. Of moest fluiten. Ik stelde me voor hoe hij het bericht over het fluiten van een wedstrijd in het buitenland had ontvangen. Enthousiast in eerste instantie maar toen, Telstar-NEC? De zeewind knalde om zijn kop. 

In de blessuretijd werd het 1-6 en meteen daarna 1-7. De meeste toeschouwers waren toen al de koude Kennemeravond in getrokken. ‘En laat je club maar in de steek’ zongen vier jongens voor mij naar de mensen die voor het eindsignaal vertrokken. De Vlaamse scheidsrechter floot voor het laatst. Achter mij waren de tribunes leeg. Op de kale man na. Hij had de witte leeuwen de hele wedstrijd hartstochtelijk zitten aanmoedigen. Volgende week Volendam uit en de week erop thuis tegen MVV. Díe kunnen we hebben zag ik hem denken.

 

FullSizeRender

De F van Fischer en een vloek in de nacht

Heemstede, Harkema, Hillegom, Hilvarenbeek, Hellevoetsluis, Heerenveen, Hoogeveen, Heemskerk, Haarlem, Houten, Houthem-Sint Gerlach… Om in slaap te komen en mijn gedachten het zwijgen op te leggen of in ieder geval te kanaliseren is dit wat ik doe. Plaatsnamen bedenken die beginnen met de letter H. Of met de S. Of de F (en dat zijn er heel weinig weet ik inmiddels). Van de H en de S zijn er meer dan vijftig. Als ik een associatie heb met een plaatsnaam volgt die meteen op de plaats zelf. Hensbroek (voetballer Ron Vlaar). Hierden (Koos Alberts). Heino (basketbalclub Innocenti waar ik vanuit een onmogelijke hoek ooit een driepunter, mijn enige, scoorde.) Helmond (de glimlach van Brabant. Is niet zo natuurlijk maar iemand zei dat eens en nu denk ik het elke keer.) Hornhuizen (van het fantastische pension Wongema). Enfin, u begrijpt t. Als ik de plaatsnamen zat ben stap ik soms over. Naar de winnaars van de Touretappes in 2019 of naar een lijst met Amerikaanse staten bijvoorbeeld. Inmiddels ken ik ze alle vijftig uit mijn hoofd. Of naar landen in Afrika waarvan ik er zo’n veertig op kan noemen. Het uiteindelijke doel is niet om de lijst met staten of landen te vervolmaken maar om er voor te zorgen dat de onrust in mijn hoofd, een milde storm, die opsteekt als het licht uitgaat, weer langzaam gaat liggen. En dat de laatste flarden storm en mist me meenemen naar het slaapland. 

Soms mislukt het faliekant. Ik probeerde eens een lijst met voetballers van Ajax samen te stellen op alfabetische volgorde. De A van Arveladze, de B van Bergkamp, de C van Cruijff. Maar bij de F liep ik vast. Ik heb zeker een half uur liggen zoeken naar een voetballer van Ajax wiens achternaam begint met de F. De onrust die dat met zich meebracht zou me zeker niet in slaap brengen dus stond ik op en keek ik op wikipedia naar een lijst met Ajax voetballers op alfabetische volgorde. Bij de F stond er maar een. Viktor Fischer. Tuurlijk, Viktor Fischer! Tevreden, en niet eens beschaamd, sliep ik in. 

763
Viktor Fischer. Met een F.

Tegenwoordig slaap ik het beste in wanneer er absolute stilte heerst. Omdat het in de stad waar ik woon nooit helemaal stil is heb ik oordoppen gekocht. Vroeger was het anders. Toen viel ik het liefst in slaap bij het geluid van de radio. Ik woonde nog bij mijn ouders in Olst en in de stellingkast stond een radio-cd speler die ik voor mijn verjaardag had gekregen. Ik probeerde radio 3 zo zacht te zetten dat je nog wel wat geluid hoorde, of gemurmel eerder, maar de gesprekken niet woordelijk kon volgen omdat ik dan te geconcentreerd zou gaan luisteren. Mijn vader kwam, vlak voordat hijzelf naar bed ging, de radio uitzetten. En dat ging regelmatig mis. Dat weet ik omdat ik lang niet altijd sliep. Maar ik wilde hem ook niet aan het schrikken maken dus hield ik me stil. Een enkele keer draaide hij per ongeluk aan de volumeknop waardoor zonder waarschuwing de muziek door mijn kamer galmde. Een andere keer kon hij de uitknop niet vinden en klonk er zacht gevloek in het donker. Als ik geluk had ging alleen de klep van de cd speler open die meteen daarna met een zachte klik weer gesloten werd. Nadat de uitknop was gevonden sloop mijn vader de slaapkamer uit. Het licht op de overloop ging uit. De deur van hun slaapkamer ging dicht. Er was stilte in het in huis. In mijn hoofd. Rustig sliep ik in.

 

 

 

 

 

 

 

Een kleine revolutie, what else?

“Ik draai een kleine revolutie af. Ik draai een kleine mooie revolutie af. Ik ben niet langer van land. Ik ben weer water.” Het zijn de eerste regels van een gedicht geschreven door Lucebert. Ik droeg het voor tijdens de eerste keer dat ik auditie deed voor de Toneelacademie in Maastricht. Maar ik had geen idee wát ik voordroeg. Ik dacht wel dat ik het wist maar ik wist het niet. Ik wist zo veel toen nog niet. Ik was zeventien en woonde in een dorpje dat ik langzaam aan het ontgroeien was. Ik dacht dat de overgang van een dorp naar de stad een vorm van slootje springen was maar ik weet nu dat het dichter komt bij het overzwemmen van het Kanaal. 

Er hebben zich sinds die tijd talloze revoluties afgedraaid. Kleine, hele kleine soms, en grote. Soms zo groot dat ik niet wist of het goed zou aflopen. En dat waren dan alleen nog maar de revoluties waar ik een deel aan had. Om mij heen en buiten mijn blikveld stapelden de revoluties zich op. 

Een daarvan, op microniveau, werd me vorige week duidelijk. Mijn zwager kocht niet zo lang geleden een koffieapparaat waarin Nespresso cups moeten. Omdat hij 29 december jarig was toog ik, op advies van mijn zus, naar de Nespresso winkel in de Haarlemse Barteljorisstraat. Er was namelijk een nieuwe collectie. Een tijdelijke. Iets met Nordic of zo. In pastelachtige tinten en in lungo en espresso. Dat snapte ik nog wel. Maar toen ik de winkel binnenliep betrad ik een volstrekt nieuw universum. Het universum van de weldaad. Het assortiment was enorm. Alleen bleek de collectie die ik wilde niet meer in de winkel te zijn. Er was kennelijk veel vraag naar. Er stond een rij in de winkel die nergens naar toe leek te gaan. Er liepen hele hippe jongemannen rond die de cups stonden te promoten alsof ze het achtste wereldwonder hadden gevonden. Ik liep weer naar buiten. Met niets. Nou ja, met een enorme dosis verwarring, dat wel. 

Een dag later besloot ik terug te gaan. Als ze de door mij gewenste cups niet hadden, hadden ze vast wel iets anders waar ik mijn zwager blij mee kon maken. Ik koos voor een pakket met vijftig cups en ging op zoek naar de kassa. Omdat ik die niet kon vinden sprak ik een van de ontzettend opgewekte verkopers aan. Er was ook geen kassa zei hij. Maar er waren nog wel twee mensen voor mij. Hoe werkte dat dan wilde ik weten. Hij vertelde op z’n allerblijst dat hij in de gaten hield wie er wilden afrekenen. En dat er iemand met een tablet door de winkel liep die dan vanzelf naar je toe zou komen als je aan de beurt was. ‘En tot die tijd kun je nog een beetje lekker rondkijken’, straalde hij. Ik wilde niet meer rondkijken. Ik wilde betalen. Bij een kassa. Nadat ik even in een rij had gestaan. De Senseo 2.0 verkoper kon helemaal niets met mijn verwarring. En ik ook niet. We keken elkaar aan. Ik in een golf van opkomende paniek en hij alsof hij net een nieuwe mensensoort had ontdekt. Een mensensoort die, hoe was dat nou toch mogelijk, nog niet eerder  het universum van Nespresso was binnen getreden. Uit het niets kwam er een andere jongeman op me af. Minstens zo gelukkig en met een tablet in zijn hand. Ik rekende de cups af bij de mobiele kassajongen. Met geld. Gewoon geld. Dat dan nog wel. 

Nog meer in verwarring dan de dag ervoor liep ik voor de tweede keer binnen een etmaal de Nespresso winkel uit. Buiten mijn gezichtsveld had zich een kleine koffie-verkocht-door-heel-blije-jongemannen-zonder-kassa-revolutie afgedraaid. En o, wat had ik het daar graag gelaten. 

 

druppel_gusto

Een lange liefdesrit

In 1946 stapte mijn opa voor zijn huis aan de Gagelstraat 18 op zijn zware transportfiets. De oorlog was voorbij maar brandde nog volop in de borst van de Almelose volkswijk. Zelf had hij kort ondergedoken gezeten om aan de Arbeidseinsatz te ontkomen. Zijn broertje was tijdens de oorlog aan difterie overleden en hij herinnerde zich nog hoe de Duitsers ophielden met zingen toen de rouwstoet passeerde. Mijn opa, nog net geen twintig, stapte op zijn zware, stalen fiets om naar zijn lief te rijden. Zij woonde aan de Ridderbuurt. De Ridderbuurt in Boskoop. Honderdzestig kilometer verderop. Tegen het einde van de oorlog had hij haar in Almelo leren kennen en nu de wegen weer veilig waren kon hij haar eindelijk opzoeken. Honderdzestig kilometer verderop. En met de fiets. En omdat hij toch die kant opging was hem van huis uit gevraagd of hij, hij kwam er immers toch langs, wat chocola af kon geven in Utrecht. Met mijn opa heb ik het wel eens gehad over de Apeldoornse berg die geen berg is. Maar wel zo aanvoelt. Op mijn lichte racefiets is het een rotstuk vals plat direct vanuit Apeldoorn richting de Veluwe. Maar dat zeg ik maar zachtjes. Want de fiets van mijn opa was zeker vijf keer zo zwaar en had geen versnellingen.

Na de fietstocht, die een volle dag duurde, kwam hij aan in Boskoop. Daar, aan de Ridderbuurt vlak bij de Gouwe werd hij opgevangen door zijn liefje en haar moeder. Zij maakte een bord eten voor hem klaar. Na het bord eten, mijn opa wist nog wat het was maar ik ben het vergeten, viel hij in een diepe slaap. 

Zo opgeschreven is het maar een klein verhaaltje. Een anekdote. Leuk voor verjaardagen of gewoon, tijdens een gesprek wanneer dat ineens stilvalt. Maar voor mijn opa en zijn liefje was dit het begin van hun leven samen. De jonge vrouw aan de Ridderbuurt werd mijn oma. Ze trouwden op 22 mei 1951, kregen twee kinderen, twee kleinkinderen en twee achterkleinkinderen. Achtenzestig jaar zouden ze getrouwd blijven. Toen ze vijfenzestig jaar getrouwd waren wilde de locoburgemeester op bezoek komen om dit heugelijk feit met hen te vieren. De burgemeester zelf was verhinderd. Mijn opa weigerde. Hij wilde heus wel even wachten tot het de burgemeester wel zou uitkomen. En gelijk had hij. Je fietst niet honderdzestig kilometer op een zware, na-oorlogse fiets, over de Apeldoornse berg en van Almelo via Utrecht naar Boskoop om je dan decennia later te laten fêteren door de locoburgemeester. De burgemeester in hoogsteigen persoon is dan eigenlijk nog maar net goed genoeg.  

 

FullSizeRender

Gagelstraat in Almelo

Foto via Google Maps