De hemel van mijn opa

De afgelopen week betrapte ik me er op dat ik vaak naar boven keek. Naar de lucht. De grotendeels blauwe  lucht met de witte wolken. Misschien keek ik wel naar de hemel. Ik keek naar boven en dacht aan mijn opa. Twaalf dagen geleden overleed hij. Rustig. Thuis. Met mijn oma en zijn zoon aan zijn zijde. Mijn opa geloofde in een hemel. Mijn oma ook. Toen ik haar vlak voor de begrafenis vroeg waar opa nu was zei ze zonder enig spoor van twijfel: in de hemel.

Hoe ziet hij er nu uit, wilde ik weten. Dat wist ze niet. Dat was ook veel minder belangrijk dan dat hij in de hemel was. 

Mijn opa is zijn hele leven gezegend geweest met een talent voor nieuwsgierigheid. Naar de mensen om hem heen. Zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Maar ook naar de dingen en het leven. Naar het nieuws. Naar wat er op technologisch gebied allemaal mogelijk is geworden in de drieënnegentig jaar dat hij geleefd heeft. Aan de hand van Google Maps liep hij door de straten van de Indonesische stad waar hij eind jaren veertig verbleef. Zijn nieuwsgierigheid beperkte zich niet tot het leven op aarde. Minstens zo benieuwd was hij wat er daarna op hem zou wachten.

Ik vind het moeilijk om een voorstelling van de hemel te maken. Omdat ik niet weet of er een hemel is. Het rotsvaste geloof in een leven na de dood is voor mijn opa en oma altijd een anker geweest. Iets waaraan je je kan vast houden wanneer je gedachten over de dood je de oneindige diepte in trekken. Tijdens de uitvaart citeerde ik Herman Finkers die over de hemel het volgende heeft geschreven:

Ik zat in een tv program en t ging nog verder mis

Er werd mij haarfijn uitgelegd hoe ik mij vergis

De hemel is iets achterhaalds, er wacht ons boven niets

De hemel, wees nou eerlijk, is een verzonnen iets

De veertigste van Mozart en de liedjes van Jacques Brel

Zijn ook ooit verzonnen zei ik, toch bestaan ze wel

Iets kan zijn verzonnen en daarom juist bestaan

Dat soms iets niet verzonnen is, neemt men zo maar aan

Dit lied is ook verzonnen en hoor hoe het bestaat

Ik zing het graag omdat daarmee de hemel opengaat

Dat kan ik doen. Mijn eigen hemel verzinnen. En in die hemel is mijn opa nu. Samen met de mensen die hem lief waren en hem voorgingen. Ik sluit niet uit dat er ook een groot aantal onbekenden op de komst van mijn opa is afgekomen. Omdat ze hoorden dat hij onderweg was. De man over wie op aarde met zo veel liefde wordt gesproken en waar men stiekem al naar uitkeek. Herman, zullen ze zeggen, wat heb je ons lang laten wachten want wat zijn we nieuwsgierig naar je. Pak een stoel en vertel.

En mijn opa zal gaan zitten en vertellen. Over Almelo, de oorlog, over Van Heteren en volleybal. Over zijn vrouw en zijn kinderen. Over de Renault 5 en de Renault 11. Over de Lavendelhof en de Kortricklaan. Hij zal vertellen over de wereld waarin hij rondliep. De wereld die een stukje mooier was toen hij er woonde. Alleen, dat zal hij zelf niet zeggen. Daarom zeg ik het. 

 

IMG_1774

Advertenties

Wongema

Een jaar of twintig jaar geleden ging ik voor het eerst alleen op vakantie. Menorca was de bestemming die de dame van het reisbureau en ik samen hadden uitgezocht. Tot het moment dat ik het reisbureau binnenstapte had ik nog nooit van Menorca gehoord maar het bleek een toch heel behoorlijk eiland te zijn voor de Spaanse kust en samen met Mallorca en Ibiza deel uit te maken van de Balearen. 

Twee weken zat ik daar in mijn eentje en voornamelijk rondom mijn appartementje. In de tuin lag een klein zwembad dat werd gedeeld met een aantal andere vakantievierders. Ik las in die vakantie ‘De ontdekking van de hemel’ en dronk Bacardi Breezers ananas. Veel meer gebeurde er niet. In ieder geval heb ik een keer met mijn ouders gebeld want ik herinner me dat mijn vader vroeg hoe ik het ’s avonds met eten deed. Of ik ook uit eten ging. Nee zeg, in mijn eentje uit eten gaan. Dat scoort een elf op een schaal van een tot tien als het gaat om ongemakkelijkheid. Toch probeerde ik het die avond. Aangemoedigd door mijn vader zocht ik een restaurant in de buurt waar ik helemaal alleen zat te eten. Ik was natuurlijk veel te vroeg want de Spanjaarden schuiven pas rond tienen aan voor de avondmaaltijd. Ik at een entrecote met friet en voelde me, zoals verwacht, hoogst ongemakkelijk. En dat is altijd zo gebleven. Alleen uit eten gaan in de avond voelt als het drinken van een cocktail die bestaat uit eenzaamheid en bekeken worden. In mijn eentje lunchen vind ik geen enkel probleem. Sterker nog, de meeste van mijn blogs schrijf ik in een café aan het Haarlemse Spaarne. De laptop waar ik op zit te schrijven dient als een schild tussen mij en de andere gasten. 

Ik probeer het nog wel, alleen uit eten gaan, als ik in mijn eentje op vakantie ben. In Lucca en op Tenerife lukte het aardig. In Stockholm ging het helemaal mis. Ik was met de metro naar Restaurant Pélican gegaan. Een van mijn favoriete schrijvers, de Noor Karl Ove Knausgård, schrijft over dit restaurant in zijn autobiografische werk ‘Mijn strijd’. De Pélican bleek er heel anders uit te zien dan dat ik er al lezend van had gemaakt. De tafeltjes stonden in lange rijen  keurig naast elkaar en daartussen door liep een ober in klassiek zwart met wit en een servet over zijn rechter onderarm. Nadat ik de ruimte in me had opgenomen wist ik genoeg. Hier eten ging me niet lukken. Ik nam de metro terug naar de buurt waar mijn hotel stond en at bij dezelfde Ierse pub als waar ik de avond ervoor ook had gezeten. 

Vorige week was ik een paar dagen alleen op vakantie in Groningen. Gijs, een van mijn beste vrienden, had me gevraagd of ik een aantal dagen op het huis van hem en zijn gezin wilde passen. De prachtige, oude woning staat op een wierde vlak boven Winsum. In de tuin staan fruitbomen. Appels, peren en pruimen. In de enorme schuur achter het huis woont een uil. Precies een week geleden pakte ik mijn fiets en trapte ik naar Lauwersoog. Daar nam ik de boot naar Schiermonnikoog. Na een aantal uur over Schier te hebben gefietst nam ik de boot terug en fietste terug naar het huis met de uil in de schuur.

0-3

Na een fietstocht van ruim honderd kilometer en een bijensteek in mijn bovenbeen als bonus had ik weinig zin meer om nog eten te maken. Mayke, de vriendin van Gijs, had me geattendeerd op Wongema. Het pension in Hornhuizen wordt deze zomer gerund door drie Amsterdamse vrouwen die er, zoals ze zelf zeggen, pensionnetje spelen. Rond een uur of zeven wordt er een maaltijd geserveerd en wie wil kan aanschuiven. Ondanks dat het alleen uit eten gaan nog steeds een kilometer of drie buiten mijn comfortzone valt besloot ik de gok te wagen. Ik liep zo ontspannen mogelijk het pension binnen en zag een lange, gedekte tafel. Dus niet je eigen tafeltje. Nee, met z’n allen aan een tafel. Naast wat gasten uit het pension en een paar voorbijgangers schoven ook de dames die het pension runden aan.

De sfeer was ongedwongen en ontspannen. Ja, de sfeer was heel prettig. Ik voelde me geen moment alleen of verloren en mijn aanvankelijke scepsis werd door een krachtige zuidwester wind het Groningse land op geblazen. Het was een maaltijd die ik me nog lang zal herinneren. Niet alleen vanwege de verse mosselen die eerder die dag tijdens het wadlopen waren geraapt maar vooral om het feit dat ik op mijn 43e leerde dat alleen uit eten gaan minstens zo leuk kan zijn als met iemand anders. Met dank aan de dames van Wongema. 

 

0-1

Doodstil

Op het provinciehuis van Groningen werkte een wat zonderlinge man. Hij begon op een kamer met zes andere collega’s maar al na een klein jaar had hij een kamertje voor zich alleen gekregen. De ambtenaar had nog nooit een woord met zijn kamergenoten gewisseld wat tot een groot ongemak had geleid. Met z’n zessen hadden ze om overplaatsing van de stille collega geplaatst en vanaf dat moment had man een kamer voor zichzelf gekregen. Het werk waarvoor hij was aangenomen, iets met beleid maken, ging hem niet goed af. Hij diende zijn voorstellen te laat in. Of soms ook helemaal niet. Maar zijn afdelingschef zag wel een ander talent in de man. Wanneer hij hem op zijn kamertje aantrof maakte hij lijstjes. Alleen maar lijstjes. Hij was de lijstenmaker, andere ambtenaren mochten de schilderijen wel maken. Zijn chef had een bijzondere opdracht voor hem binnengesleept. Er moesten nieuwe plaatsnamen worden bedacht voor een aantal Groningse gehuchten en aan de lijstenmaker was gevraagd er een aantal te bedenken en op een rijtje te zetten. En dat deed hij. Hele degelijke plaatsnamen verzon hij. Plaatsnamen die zonder probleem door de gemeenschap overgenomen zouden gaan worden. Plaatsnamen zonder risico, zonder ophef, zonder betekenis. Gewoon plaatsnamen. De mensen die er woonden mochten er zelf een betekenis aan geven. Hij bedacht alleen het kader. 

Wanneer de man zich niet bezig hield met de lijstjes die hij in opdracht moest maken, werkte hij aan zijn eigen lijstje. Hij was net begonnen met een nieuwe. Zacht gniffelend had hij een lijstje met bijnamen bedacht voor de zes collega’s waarmee hij op de kamer had gezeten en die om zijn overplaatsing hadden gevraagd. Maar hij was met zichzelf begonnen. Zijn collega’s hadden hem Doodstil genoemd. Hij vond het prima. De collega die tien minuten voor aanvang van de lunch al richting de kantine ging noemde hij Hongerige Wolf. Hij zette de namen onder elkaar; Doodstil, Hongerige Wolf. Wessel-Hendrik, een kleine roodharige man van midden dertig was in Den Hoorn op Texel geboren. Hem noemde hij Wehe Den Hoorn. Een praatzieke dame die vlak naast hem zat sprak alleen maar in verkleinwoordjes. ‘O, dat is een leuk ideetje. Wat een schattig gezichtje! Eerst nog een klein buitje maar daarna wordt het weer een lekker weertje.’ Op haar bureau stond een verzameling foto’s van de huizen waarin ze gewoon had. Ze noemde het haar kleine huisjes. Zij wérd Kleine Huisjes. De Dingen kreeg haar bijnaam omdat haar stopzin ‘ja zo gaan die dingen’ was. Op elk probleem dat werd aangedragen sprak zij verzuchtend: ‘Ach ja, zo gaan die dingen’. Zijn meest sportieve collega, ze deed aan triatlons, aan retraites en at alleen maar sla, noemde hij Honderd. Want dat wilde ze worden. Honderd. Hij fantaseerde af en toe hoe Honderd tijdens een hardlooptraining door de Groningse weilanden getroffen zou worden door de bliksem. Niks honderd geworden, gewoon achtendertig. En dan was er nog zijn diep gelovige collega. Hij ging elke zondag twee keer naar de kerk en gaf catechisatie aan een aantal jongeren van zijn kerkgemeenschap in Sauwerd. Hem noemde hij Bethlehem. 

Doodstil.

Hongerige Wolf.

Wehe Den Hoorn.

Kleine Huisjes.

De Dingen.

Honderd.

Bethlehem.

T was een mooi lijstje geworden zo. Tijdens zijn pauze, die hij altijd alleen genoot in Het Feithhuis aan het Martinikerkhof op een steenworp afstand van het provinciehuis, keek hij voor een laatste maal naar het lijstje met degelijke Groningse plaatsnamen. Risicoloos. Ze zouden zonder twijfel worden aangenomen. Toen hij wilde afrekenen bedacht hij tot zijn schrik dat hij het lijstje, met daarop de bijnamen voor zijn collega’s, op zijn bureau had laten liggen. Precies op dat moment klopte zijn afdelingshoofd een paar honderd meter verder op de deur van zijn lege werkkamer. Voorzichtig stapte hij naar binnen en zag het lijstje liggen. Doodstil, Hongerige Wolf, Wehe Den Hoorn, Kleine Huisjes, De Dingen, Honderd. Bethlehem. Hij schoot in de lach. Apart, heel apart was de eenzame lijstenmaker. Nu weer dit lijstje met de door hem gevraagde plaatsnamen voor Groningse gehuchten. 

In het Feithhuis rekende Doodstil snel af en spoedde zich naar het provinciehuis. Hij koos voor de trap. De lift ging hem te langzaam. Aangekomen op zijn kamertje zag hij het meteen. Het lijstje met bijnamen was verdwenen. Overvallen en verteerd door schuld en schaamte pakte hij zijn paar persoonlijke eigendommen bij elkaar, stopte ze in een doosje en verdween voor altijd uit het provinciehuis. Op de dag dat zijn overlijdensadvertentie in de krant stond was een paar pagina’s verder te lezen dat de provincie Groningen had gekozen voor een paar opvallende plaatsnamen. Plaatsnamen om mensen even te laten glimlachen. Namen voor gehuchten die normaal gesproken niet zouden beklijven maar nu, door hun bijzondere naam, wel. Doodstil, Hongerige Wolf, Wehe Den Hoorn, Kleine Huisjes, De Dingen, Honderd en Bethlehem.  

 

Unknown-5

Halve zool

Een jaar geleden liet de zool van mijn rechterschoen los. Aan de achterkant, bij de hiel. Ik weet nog precies waar ik was. Namelijk midden op het Zweedse platteland met in de verste verte geen stad, dorp, dorpskern of zelfs maar een straat met een paar huizen te zien. Vroeg in de ochtend was ik vertrokken bij Astrid en Rickard waar ik de nacht had doorgebracht in een stuga, een typisch Zweeds mini-huisje dat vaak in in een tuin naast het huis van de eigenaren staat. De avond ervoor hadden we gegeten. We aten zelf gevangen vis uit het meer waar hun huis aan lag. Rickard was een plaatselijk bekende violist en Astrid bouwde violen. Voor rondtrekkende pelgrims hadden ze een pelgrimssonate gecomponeerd die ze speelden wanneer je bij het huis aan het meer vandaan liep. Begeleid door de vioolmuziek was ik op pad gegaan voor een etappe van een dikke twintig kilometer. Tot ik er na een kilometer of acht achterkwam dat de zool van mijn schoen losliet. Voordat ik in een blinde paniek schoot besloot ik een rustige plek te zoeken. Eerst maar even rustig zitten, wat eten en de schade opnemen. En dat eventueel de paniek. Terwijl ik een stuk hartige taart at dat Astrid voor me gebakken had zag ik dat de zool voor een kwart los was gekomen van mijn schoen en erbij hing als de tong van een hond in de hitte.

0-1

Nadat ik een beetje van die schrik was bekomen zag ik dat ook de zool van mijn linkerschoen had losgelaten. Zo kon ik niet verder lopen. In ieder geval niet helemaal naar mijn eindbestemming in Noorwegen. Misschien zou ik de volgende tussenstop nog wel halen maar ja, wat dan? Lijmen? Mijn schoenen bleken zo te zijn uitgedroogd dat het een kwestie van tijd zou zijn voordat ze helemaal uit elkaar zouden vallen. Ik zocht contact met Astrid om haar te vragen mij te helpen. K vond dat helemaal niet eenvoudig maar ik had niet de luxe om een keus te kunnen maken. Samen met Rickard kwam ze een klein half uurtje later aanrijden. Ze hadden lijm bij zich maar wilden me ook naar Östersund, de enige stad in de omgeving brengen, zodat ik daar nieuwe schoenen kon kopen. Twee dagen eerder was ik uit die stad vertrokken in de overtuiging er niet meer terug te keren en het was een vreemde gewaarwording om samen met Astrid, Rickard hadden we eerst thuis afgezet, de stad weer in te rijden. Terwijl Astrid haar boodschappen ging doen lukte het mij om een paar nieuwe schoenen te vinden die niet alleen geweldig liepen maar waarin ik ook, zo concludeerde ik nadat ik in Trondheim was aangekomen, geen blaren zou krijgen. Voor Astrid en Rickard kocht ik een fles wijn. Ik had geen idee waar ze van hielden dus kocht ik er een waar heel groot ‘barefoot’ op het etiket stond. Vond ik wel zo toepasselijk. 

Astrid haalde me weer op en zette me een stuk verder op de route af. Op mijn nieuwe schoenen liep ik de laatste paar kilometer naar mijn volgende slaapplek.

Mijn oude paar heb ik gelijmd en nog een paar dagen met me meegedragen voor het geval ik wel blaren zou krijgen. Maar ik heb ze nooit meer aangetrokken. Een paar dagen later, halverwege de langste etappe van het hele traject, heb ik ze in een vuilnisbak gegooid. 

Tijdens mijn reis heb ik meer overboord gegooid. Althans, dat denk ik. Ik ging op pad met het idee om los te laten. Om een dik uitroepteken achter de eerste helft van mijn leven te zetten en met een opgewekt gemoed het tweede deel aan te gaan. Ik liep en ik zocht. Ik zocht naar iets dat ik los kon laten. Eenmaal in Trondheim aangekomen zocht ik contact met een kennis in Italie. Ik vertelde haar dat ik van alles had willen loslaten tijdens mijn reis maar dat ik niet wist of het wel gelukt was. ‘Dat kan ook niet’, zei ze. ‘Want wat je niet vast hebt kan je niet loslaten. Het enige dat je kan doen is accepteren dat niet alles is gegaan zoals je het had gewild’.

Ze had gelijk. Ik had 580 kilometer gelopen in de hoop iets los te kunnen laten wat ik helemaal niet vast had. Pas op het aller-allerlaatst, en met de reeds opgedroogde inkt van de laatste stempel in mijn pelgrimspaspoort, zag ik dat in. T was wat laat. Maar nog ruim op tijd om er invulling aan te geven in de tweede helft van mijn levensreis die zou gaan beginnen op het moment dat ik weer thuis zou zijn. 

 

0-2

To Boda Borg or not to Boda Borg

Een jaar geleden werd ik wakker in een klein kamertje met twee eenpersoonsbedden. Ik had geslapen in een gebouwtje op de camping van de Nederlandse familie Gielen in Zweden. 

En dat was niet de bedoeling.

De accommodaties tijdens de pelgrimage door Zweden en Noorwegen had ik geboekt via Ruben die op dat moment ook ergens aan het pad woonde. Zo wist ik zeker dat er aan het eind van elke wandeldag er een bed en een maaltijd voor me zou zijn. De wandeling zelf speelde zich al  kilometers buiten mijn comfortzone af dus alle zekerheid die ik kón kopen, kocht ik. Na mijn derde wandeldag, een korte etappe van 15 kilometer, was mijn overnachting voorzien in Boda Borg. In het boekje met route-informatie dat ik van Ruben had gekregen stond dat ik die nacht in ‘een heel groot gebouw zou overnachten waar evenementen worden gehouden. En waar het schijnt te spoken’. Boda Borg bleek te bestaan uit twee gebouwen. In het ene werden inderdaad evenementen georganiseerd en in het andere, enorme, gebouw kon worden overnacht. Dit gebouw diende vroeger als verpleeghuis voor kinderen met allerlei problemen. Nu werd het vooral gebruikt door grote groepen, schoolkampen bijvoorbeeld, om er te slapen en te eten. In het gebouw waar de evenementen werden georganiseerd checkte ik in. Terwijl ik naar het iets hoger op de heuvel gelegen gebouw wees waar ik zou gaan overnachten, vroeg ik aan de receptioniste hoeveel mensen er die nacht zouden gaan slapen. 

‘Alleen jij’, zei ze droogjes. 

‘Alleen ik’, herhaalde ik zachtjes. ‘Uit hoeveel vertrekken bestond het gebouw eigenlijk?’

’75’, zei ze. 

‘En ik slaap daar alleen?’

‘Klopt.’

‘En het schijnt daar te spoken?’

‘Klopt ook.’

Samen liepen we de heuvel op en betraden het in 1915 gebouwde pand. Aan de binnenkant leek het allemaal nog groter dan van buiten. De gangen waren eindeloos en de muren weerkaatsten elke echo die ze konden opvangen. Ik hoorde mijn voetstappen overal om me heen. Eenmaal op mijn kamer en met de deur veilig achter me dicht getrokken deed ik mijn rugtas af en ging zitten op het bed met het mooiste uitzicht van de hele reis. 

IMG_2124

Ik zocht contact met Francine, een pelgrim uit het Gooi, die een paar maanden voor mij dezelfde tocht had gelopen en ook in Boda Borg had overnacht. Ik vertelde haar dat ik me ongelukkig voelde op die plek en dat ik, ja, gewoon een beetje bang was. Zij had er zonder problemen overnacht en zei me het te zien als een uitdaging. Als iets nieuws, iets buiten mijn comfortzone. Maar dat was mijn hele reis al! Terwijl ik op mijn bed voor me uit zat te staren stuurde ze me een nieuw bericht. Ze kon zich mijn angst ook wel voorstellen en zei dat ik contact kon zoeken met de  Nederlandse familie Gielen die een camping verderop de route hadden en waar ik de volgende dag naar toe zou lopen. Ik besloot dat ik niet in Boda Borg wilde blijven. Geesten of geen geesten, ik wilde rustig kunnen slapen. Via Francine kwam ik in contact met Nadinka, de dochter van de campingeigenaren, en niet veel later draaide ze met haar mosgroene auto het terrein van Boda Borg op. Ik excuseerde me voor het feit dat ik niet in Boda Borg wilde blijven en dat zij me daarom op moest komen halen. Voorzichtig informeerde ik of het al eens eerder was voorgekomen dat iemand niet in Boda Borg wilde blijven. Nee, ik was de eerste die moest worden opgehaald. Ze had wel pelgrims meegemaakt die er wel hadden overnacht en die de dag erna, toen ze op de camping aankwamen, meteen hun bed indoken omdat ze tijdens de nacht in Boda Borg geen oog hadden dicht gedaan. Het deed mijn gevoel van schaamte een heel klein beetje krimpen. En ja, af en toe kwam daar iets van trots doorheen. Trots omdat ik voor mezelf had gekozen in plaats van dat te doen waarvan ik voorheen had gevonden dat ik dat gewoon moest kunnen. Omdat ieder ander het ook deed. 

Ik moest terugdenken aan de tijd dat ik net in Amsterdam woonde. Ik was nog geen negentien en vond het doodeng. Wanneer de trein uit Deventer het station van Amsterdam binnenrolde gierden de zenuwen door mijn buik. Maar ik bleef er wel wonen. Want dat moest ik toch kunnen? In mijn eentje wonen in een enorme stad terwijl ik was opgegroeid in de veilige schoot van een klein Overijssels dorp. En ik kon het ook wel. Maar ik vond er niks aan. Ik vond het eng. Was bang. 

‘Voor alles bang geweest, voor alles altijd bang geweest’ zingt Wende Snijders prachtig in een nummer waarvan de tekst werd geschreven door Joost Zwagerman. Het zijn woorden die in mij een weerklank vinden. Want hoewel ik niet voor alles bang was, was ik dat wel voor veel. Mede omdat ik dacht dat ik alles maar gewoon moest kunnen. Of me in ieder geval niet realiseerde dat ik een keus had. In Amsterdam gaan wonen? Moet kunnen, makkelijk zelfs. De Mont Ventoux beklimmen? Moet kunnen, sterker nog, kan iedereen die een beetje traint. Twee weken alleen op vakantie naar Menorca? Tuurlijk, kan ik. Of moet ik kunnen. 

De geplande nacht in Boda Borg was voor mij een breekpunt met het ‘moet ik kunnen’. Ik had het wel gekund maar ik wilde het niet. Niet meer.

Voor alles altijd bang geweest. Maar nu niet meer. Want toegeven dat je sommige dingen niet durft bleek ook gewoon een mogelijkheid. Niets om me voor te schamen ook. Sterker nog, het geeft lucht. Lucht om te ademen. Lucht om te leven.

 

IMG_2123

Een benauwende comfortzone

Exact een jaar geleden begon ik aan mijn wandeltocht door Zweden en Noorwegen. Vanochtend zag ik de foto’s die ik op 19 juli 2018 maakte. De eerste van die dag maakte ik in de bus op weg naar de start van het Olavspad. De bus leek nergens op weg naar toe want op de plek waar normaal gesproken de haltes staan af te lezen stond op dat moment alleen maar het woord ‘Nu’. Bijzonder vond ik dat toen. En bijzonder vind ik dat nu. 

 

IMG_2055

 

Want als ik een huis had kunnen bouwen in het verleden was ik er zonder meer gaan wonen. Omdat ik van het verleden al weet hoe het is afgelopen. En dat dat lang niet altijd leuk was, of verre van zelfs, is bijzaak. In ieder geval weet ik met terugwerkende kracht waar ik aan toe was. Het verleden is een grote comfortzone. Dat heeft het wel bewezen want ik ben er nog en met de littekens van vroeger valt prima te leven. Nou ja, de ene dag beter dan de andere, dat wel. Het heden is in veel mindere mate een veilige plek en de toekomst is dat alles behalve. Tenzij je de toekomst inricht zoals je je verleden hebt ingericht. Veilig, tussen de lijntjes en met duidelijke kaders. 

Ik heb veel over het woord ‘comfortzone’ nagedacht en kom er meer en meer achter dat het een verraderlijke term is. Het suggereert een plek te zijn waarin je je comfortabel voelt. Een veilige zone, een cocon, zoiets. Maar dat hoeft het lang niet altijd te zijn. Voor mij in ieder geval niet. Mijn comfortzone is vaak veel krapper dan ik zou willen. Veiligheid, het uitsluiten van gevaar, rust, regelmaat en reinheid zijn slechts een paar ingrediënten aan de binnenkant van mijn eigen bubbel. 

Uit die bubbel stapte ik vorig jaar met een reuzenstap door de reis aan te vangen die me vanaf de Zweedse oostkust naar de Noorse westkust zou brengen. De wandelroute, zo’n 570 kilometer, liep ik binnen een tijdsbestek van 28 dagen. En o, wat was ik nerveus en geprikkeld voordat ik op pad ging. Want voor iemand die heel graag zijn eigen grenzen bewaakt, soms tot ergernis of onbegrip van anderen, was ik op weg naar een astronomische afstand buiten die cocon. 

Gisteren werd aan mij gevraagd wat ik mee zou willen nemen van het afgelopen jaar maar ook wat ik achter me zou willen laten. Ik had daar toen geen antwoord op. Nu wel. En het antwoord op beide vragen is min of meer hetzelfde.

Ik hoop dat de buitengrenzen van mijn comfortzone steeds verder uit het zicht zullen raken en ik er bij mezelf op durf te (blijven) vertrouwen dat het opleggen van die grenzen een veel grotere belemmering is dan het opheffen ervan. Ik hoop dat ik de veiligheid in mezelf kan gaan voelen in plaats van deze afhankelijk te laten zijn van de lijnen die ik om me heen teken. En dat hoeft niet allemaal vandaag. En ook niet morgen of volgende week. Zolang ik maar zuurstof (en liefst elke keer een beetje meer) kan blijven geven aan het vlammetje dat vorig jaar in Scandinavië is aangestoken.

 

IMG_2644

Mevrouw Dolfijn

Vandaag wordt mevrouw Dolfijn geopereerd. Ze werd dinsdagavond de zaal ingereden waar ik ook lag. Tegenover mij, aan het raam, werd haar bed geparkeerd. Ze keer onrustig om zich heen en zei niets. Ik schatte haar achter in de zeventig en ze was overduidelijk gewond aan de linkerschouder die werd ondersteund door een kussen waarop haar arm kon leunen. Nadat ze een minuut of tien om zich heen had gekeken riep ze mij.

‘Jongeman, kan jij even de zuster roepen?’. Ik drukte op de rode knop van het kastje dat op mijn bed lag. De zuster kwam en mevrouw Dolfijn viel meteen met de deur in huis.

‘Wat doe ik hier? Wie heeft mij hier gebracht? Wanneer gaan jullie me helpen? Jullie helpen me niet!’

En tegen mij, nadat ik beleefd glimlachte: ‘wat zit jij stom te lachen?!’. Nadat de zuster was vertrokken om de medicatie voor mevrouw te halen hoorde ik haar tegen een collega op de gang zeggen dat ‘mevrouw een beetje in de war was’. Dat ‘beetje’ was inmiddels een heleboel geworden want mevrouw Dolfijn lag te draaien in haar bed, vroeg nu aan mij wat ze in het ziekenhuis deed en hoe ze daar gekomen was.

‘En waar staat dit ziekenhuis eigenlijk? En wanneer word ik geholpen. Ze nemen me allemaal in de maling. Iedereen neemt me in de maling want ik moet worden geholpen aan mijn rug maar ik word niet geholpen’.

‘Uw rug’, vroeg ik verbaasd, ‘het lijkt mij eerder dat u last heeft van uw schouder.’

‘O ja, klopt’, antwoordde ze, ‘van mijn rug heb ik al jaren last. De arm is nieuw.’

De zuster kwam terug met de medicatie voor mevrouw. Sterke, hele sterke pijnstillers om de pijn zo goed als dragelijk te houden. Weer vroeg ze wanneer ze geholpen zou gaan worden. En wat er eigenlijk gebeurd was. Wie haar had gebracht en of haar man en dochter hier wel van af wisten. De zuster hoorde haar beleefd aan en probeerde haar gerust te stellen wat maar deels lukte. De antwoorden op de vragen van mevrouw Dolfijn had zij ook niet. Nadat de zuster vertrokken was begon de medicatie bij mevrouw Dolfijn aan te slaan. Ze werd een stuk rustiger en ik pakte een stoel om naast haar bed te gaan zitten. Langzaamaan begon ze te vertellen. Waar in Haarlem ze woonde, over haar zoon die voor de liefde naar Friesland was verhuisd en over haar dochter die inmiddels twee kinderen had en ook in Haarlem woonde. En over haar man die een paar jaar geleden een hersenbloeding had gekregen en nu veel zorg nodig had. Ze woonden niet meer samen, hij zat inmiddels in een kliniek. ‘Of nee, wacht, dat is niet waar’, zei ze, ‘we wonen nog wel samen maar mijn man gaat wel twee dagen in de week naar de kliniek voor wat dagbesteding.’ 

Maar hoe was ze nou in het ziekenhuis terecht gekomen? Of ik dat wist. Nee, dat wist ik niet. ‘Maar we kunnen het wel de zuster vragen’, zei ik. 

De zuster pakte er een computer bij en opende het dossier van mevrouw Dolfijn. Mevrouw was vijf dagen eerder met de fiets gevallen. In plaats van naar het ziekenhuis te gaan was ze naar huis gegaan waar de pijn ’s nachts zo hevig werd dat ze alle pijnstillers nam die ze kon vinden. 

‘Ja, dat zou best kunnen. Ik ben daar heel royaal mee, helemaal niet zuinig’, lachte ze voorzichtig. De eerste paar dagen was er in het ziekenhuis hard gewerkt om de medicijnvergiftiging uit haar lichaam te krijgen. En nu dit was gelukt kon ze worden overgebracht naar de afdeling chirurgie in afwachting van de operatie aan haar schouder. Ze wilde weten wanneer de operatie was maar de zuster kon daar geen antwoord op geven. ‘Morgen weten we meer’, was het enige dat ze er over kon zeggen. 

De volgende ochtend, vlak voor mijn ontslag, stond er een halve kring van verplegend personeel om het bed van mevrouw Dolfijn heen. Ze zou die dag niet geopereerd worden. Dat zou pas vijf dagen later kunnen. 

Maar ze had zo’n pijn. 

De dokter vertelde haar dat ze de pijnbestrijding weer wat zouden ophogen om het tot de operatie vol te kunnen houden. Nadat het personeel de zaal had verlaten keek ik haar aan. 

‘Wat een gedoe’, zei ze. 

‘Ja’, zei ik, ‘inderdaad, wat een gedoe.’ Samen zaten we even later aan de tafel in het midden van de zaal. Ze vertelde waar in Haarlem ze woonde, over haar zoon die voor de liefde naar Friesland was verhuisd en over haar dochter die inmiddels twee kinderen had en ook in Haarlem woonde. En over haar man die een paar jaar geleden een hersenbloeding had gekregen en nu veel zorg nodig had. Ze woonden niet meer samen, hij zat inmiddels in een kliniek. ‘Of nee, wacht, dat is niet waar’, zei ze, ‘we wonen nog wel samen maar mijn man gaat wel twee dagen in de week naar de kliniek voor wat dagbesteding.’ 

Maar hoe was ze nou in het ziekenhuis terecht gekomen? Of ik dat wist. Ik keek haar even aan.

‘Ja’, zei ik, ‘ik weet wat er gebeurd is.’ 

 

Unknown-3