Nergens en overal

Opa, waar ben je nou? Soms stel ik de vraag gewoon hardop. Gisteren liep ik door Middenduin, zag de van kleur veranderende bomen, de dauw op de bladeren, en vroeg ik het aan niks of niemand in het bijzonder. Kan ook niet. Weet ik ook wel. Ik probeer hem wel te zien. In zonlicht op een stuk boomschors. Of in een blad bezaaid met druppels dat op de voorruit van mijn auto zit geplakt. Zijn auto. Mijn auto. Maar het is het niet. Soms een klein beetje maar meestal niet. Ik wil te graag denk ik. Ik wil hem te graag ergens in zien. Om het afscheid minder definitief te maken. Want hoe werkt rouw eigenlijk? Hoe rouw je om iemand die drieënnegentig jaar is geworden, een mooi en voltooid leven heeft geleid en zelf helemaal klaar was om de oversteek te maken? Ik weet het niet. Ik ben helemaal geen expert. Gelukkig maar. De dood kwam nooit dichterbij dan op 24 augustus van dit jaar. 

Je zou nu eigenlijk wat tegen hem moeten kunnen zeggen, zei mijn oma aan het graf. Maar het hoefde niet. Mijn oma weet wel beter. Ze heeft kilo’s meer rouwbagage dan ik. Haar vader en moeder. Broers en zussen. Kinderen. Haar man. Terwijl ik haar in haar rolstoel voortduwde keek ik op het gewassen en netjes gekamde witte haar. Haar hoofd leek extra smal boven de zwarte jas met de brede schouders. Een klein, teer vogeltje in een rolstoel waar ze nog bijna uit werd gekatapulteerd. Een van de voorwieltjes bleef haken achter een stuk steen. Ze greep zich meteen vast. Met haar reflexen is nog helemaal niets mis. Omdat haar horloge kapot was droeg ze dat van mijn opa. Het stond haar goed. Herinneringen zijn niet tastbaar. Ze hebben ook geen vaste vorm. Of nog niet. Ze lopen in elkaar over zoals ecoline op een wit vel papier. Herinneringen kunnen hooguit stollen. Of als markering dienen in de tijd. Maar materie wordt het nooit. Horloges zijn dat wel wel. Trouwringen ook. Kammen. Sokken. Een jasje. Ik kreeg het blauwe colbert dat mijn opa drie jaar geleden kocht. Het was een van de mooiste jasjes die hij had. En hoewel hij een stuk kleiner was dan ik past het perfect. En ook al zou het niet passen dan nog zou het perfect passen. Omdat ik dat wil zou ik me er zo toe verhouden dat het als gegoten zit. 

Mijn opa is weg en komt nooit meer terug. Niet meer als mijn opa in ieder geval. Hij is nergens meer en daarom is hij overal. In het licht op de boomschors. In het blad op mijn voorruit. In de gekamde haren van mijn oma. In de tranen die ik laat en die net als ik een weg lijken te zoeken naar een bodem om op te kunnen landen. Maar het vallen zal nog wel even duren. Soms bijna ongemerkt. Een andere keer met een rotvaart. Tijd zeggen ze. Tijd heeft het nodig. Ik denk aan de tijd die verstrijkt op het horloge van mijn opa dat nu om de pols van mijn oma zit. En ik hoop dat ze het hare nooit meer zal laten maken. 

 

IMG_6729.jpeg

Dat zei ik

Waar ik trots op ben werd me een week of drie geleden gevraagd. Op iets of iemand wilde ik weten. Nee, bij mezelf. Waar ben ik trots op bij mezelf. Ik wist het niet. Want ik voel geen trots als ik de Mont Ventoux heb beklommen met de fiets. En eigenlijk voel ik het ook niet als ik net voor de eerste keer een huwelijk heb gesloten en ik alleen maar complimenten op mijn verhaal krijg. Ben je dan nergens trots op? Ik dacht langer na. Ja, eigenlijk wel. Eigenlijk ben ik wel trots op hoe ik in het leven sta. Dat het me lukt om mijn hoofd boven water te houden. Hoe het me lukt om mijn angsten de baas te zijn en ik elke dag, ook als het slecht weer is, naar buiten ga. En nu ik wat langer nadacht, was ik eigenlijk heel trots op het feit dat het me was gelukt om de laatste drie jaar  als zzp’er rond te komen. Dat kwam voor een heel groot deel door de Gamma waar ik de afgelopen vijf jaar alle tv- en radioreclames voor insprak. 

En toen ging op een maandagmiddag de telefoon. En er werd me verteld dat dit per direct op was gehouden. En daarmee verdampte in een klap ongeveer zeventig procent van mijn inkomen. 

Dat het ooit zou gaan gebeuren wist ik wel. Dat het onverwachts zou zijn ook. Want zo gaat het altijd. Het kan trouwens nog gekker. Ik was ook een tijd de stem van Arla. Totdat ik op tv een Arla commercial zag die ik had ingesproken maar waar tot mijn stomme verbazing een heel andere stem onder gemonteerd was. Ik belde het castingbureau dat mij aan deze klus had geholpen. Navraag leerde dat Arla was overgestapt naar een ander reclamebureau met een nieuwe campagne en een nieuwe stem als gevolg. Waren ze alleen een vergeten te melden aan het castingbureau. Dat Gamma is opgehouden is ontzettend jammer. Maar ook okay. Al zal ik een ander antwoord moeten gaan formuleren wanneer er aan me gevraagd wordt wat voor werk ik doe. Mijn standaard reactie was namelijk altijd dat ik alles voor Gamma insprak en daarnaast nog andere klussen als freelancer deed. Vijf jaar lang heb ik het met heel veel plezier de meest onmogelijk uit te spreken aanbiedingen (Altrex steddy zes treeds trap!) de ether ingeslingerd en wat was dat leuk!  Maar nu is het tijd voor wat anders. Voor Gamma. Voor mij. Als ik de mensen om mij heen moet geloven biedt dit alleen maar nieuwe mogelijkheden. Ik kan in dat enthousiasme nog heel even niet meegaan. Want ik vind het vooral jammer. Jammer van de contacten die ik hierdoor heb opgedaan maar ook, eerlijk is eerlijk, jammer van het geld. Voor het eerst sinds mijn start als zzp’er heb ik stress. Of ik wel genoeg geld verdien om rond te kunnen komen. Nieuwe ronde, nieuwe kansen. En meer van dat soort dooddoeners. Ik weet alleen nog even niet zo goed hoe. Dat zeg ik. Dat zei ik. Dag zeg ik.

 

FullSizeRender

Nordin Boter

Ik was achttien, lichtgroen als jong gras en liep samen met mijn vriend Wouter door Amsterdam. Ik denk dat we ons een beetje verveelden en ‘iets’ wilden doen. In ieder geval wilden we nog niet terug naar het oosten van het land waar we woonden. Ajax! dachten we. Ajax speelde die middag de eerste thuiswedstrijd van het nieuwe seizoen in station De Meer. Op de bonnefooi stapten we op het Muntplein in tram negen. Ik was nog nooit bij een wedstrijd in de eredivisie geweest. Van Wouter weet ik het niet maar in ieder geval was hij ook nog nooit bij Ajax geweest. Bij het stadion werden de kaarten verkocht. Echte kaarten voor het echte Ajax op roze vloeipapier. We kozen twee staplaatsen recht tegenover de F-side. Dat was voor ons jongens uit Overijssel wel ruig genoeg. Patrick Kluivert maakte in de wedstrijd tegen RKC zijn debuut en scoorde meteen. Naast Kluivert speelde ook Nordin Wooter voor het eerst in Ajax 1. Wie is dat vroeg ik aan Wouter. Dat is Nordin Wooter zei hij. Boter vroeg ik. Wooter riep hij wat harder dan de eerste keer. Ik verstond weer boter. Gekke naam dacht ik, Nordin Boter. De wedstrijd werd met 4-1 gewonnen en bleek een eerste opmaat te zijn naar het winnen van de Champions League aan het eind van dat seizoen. Een paar weken later gingen we weer naar Ajax. In het Olympisch Stadion dit keer. De kaarten werden verkocht vanuit de hokjes onder het stadion. Ajax won gemakkelijk van Go Ahead Eagles en vlak voor tijd besloten Wouter en ik vast richting de uitgang te gaan. We hadden een paar mooie doelpunten gezien maar nog nooit een penalty in het echt. Dat was jammer maar ook niet zo heel gek want we hadden pas twee wedstrijden gezien. Vlak nadat we het stadion hadden verlaten en richting de tram liepen hoorden we gejuich opstijgen. Weer Kluivert bleek later. En, penalty. Die zagen we ’s avonds op tv voor het eerst. 

Vijfentwintig jaar na het debuut van Kluivert, Wooter en mijzelf als toeschouwer bij een wedstrijd van Ajax wil ik graag met mijn neefje naar de Johan Cruijff Arena. Minimaal een keer per jaar ga ik met mijn neefje en nichtje op pad. Naar de dierentuin, Naturalis, Ecomare op Texel. Maar nu ze wat ouder worden vind ik het leuk om eens iets met hen apart te gaan doen. Ze konden kiezen uit een aantal uitstapjes maar voor hem was de keus snel gemaakt. Ajax. Ga ik regelen zei ik. Ik appte een vriendengroepje. Of zij wisten hoe ik aan kaarten kon komen. Maar onmogelijk, niet te doen en verkeerde club. Op facebook plaatste ik een berichtje. De eerste reactie was van iemand die aangaf zelf al vijf jaar op zoek te zijn naar betaalbare kaarten voor een wedstrijd in de Arena. Ik reageerde op een advertentie op Marktplaats en kreeg meteen daarna bericht van Marktplaats zelf. Ze hadden het sterke vermoeden dat de persoon waar ik contact mee had helemaal niet Wendy op de foto in een witte trouwjurk was maar een ordinaire oplichter. Dan maar geen Marktplaats. Ik wil koste wat kost voorkomen dat ik met twee valse kaarten bij de Arena sta en mijn neefje en ik niet naar binnen mogen. Maar hoe dan wel? Geen idee. Nog. Maar ik blijf zoeken. Want we gaan. Dat is zeker. En ondertussen denk ik op deze regenachtige donderdag in september terug aan een middag van roze vloeipapier toen er bijna nog geen zorgen waren.

 

763

Hand in hand

Mogen we hem aanraken. Het mocht. Voorzichtig raakten mijn neefje en nichtje de handen van mijn opa, hun overgrootvader, aan. Eerst met een vinger. Daarna met de hele hand. Hun handen op de zijne. Handen vol van leven tegen de perkamentkleurige handen op het bed. Ze hadden nog nooit een overleden iemand gezien. En ze wisten aanvankelijk ook niet of ze dat wel wilden. Of durfden. Maar ze kwamen steeds dichterbij. Met z’n tweeën. En uiteindelijk lagen hun handen op de zijne. Je zou kunnen zeggen dat het leek alsof hij lag te slapen. Maar dat was niet zo. Maar je hoort het wel vaak. Het is net of hij slaapt hoor je dan. Maar het is nooit of iemand slaapt. Niemand slaapt in zijn mooiste pak en met de handen gevouwen onder het borstbeen. Mijn opa lag met zijn onderlichaam onder een dekbedovertrek. De kleuren daarvan, rood, oranje, geel en wit, deden me denken aan een ijsje. Aan een raketje of aan een split. Ik had zin in een raketje want het was warm. De zomer was nog eenmaal opgevlamd voordat hij uit zou doven. Net zoals mijn opa nog een laatste keer was opgeleefd kort voordat hij stierf. 

Ik had nog nooit een gestorvene aangeraakt. Maar mijn opa wilde ik wel aanraken. Om zo nog heel even contact te kunnen maken met de man die in zoveel een voorbeeld voor mij was geweest. En die dat hopelijk ook altijd zal blijven. Zijn handen waren koel. Niet steenkoud zoals ik me had voorgesteld. Of zoals ik dat van anderen had gehoord. Aangenaam koel waren zijn handen in het warme appartement waar hij samen met mijn oma de laatste jaren van zijn leven woonde. Zijn voorhoofd was ook koel. Mijn hand paste er precies op. Bij leven had ik zijn voorhoofd nooit aangeraakt. Nu wel. Want dichterbij kon ik niet meer komen. 

In de woonkamer hing een kalme sfeer. De uitvaartondernemer nam een aantal zaken met ons door. Het was een heel aardige man. Toen mijn zus, haar vriend de kinderen en ik het appartement waren binnengelopen was hij discreet in de aangrenzende slaapkamer gaan staan. Zo was er even geen vreemde bij toen we opa daar zo zagen liggen. En toen was er koffie. En er was appeltaart. En het was helemaal niet gek dat er appeltaart was. De begrafenis kwam ter sprake. De kist. De kaart. Een foto. Of toch niet. En zo ja, welke dan. Mijn neefje vroeg of hij op zijn Nintendo mocht spelen. Het mocht. Mijn nichtje had een telefoon bemachtigd. De dood was overal tussen ons in. In de pantoffels onder het bed. In de bloemen naast het bed. In de noodknop die hij met een bandje om zijn pols droeg en er nu vanaf was geknipt. In het gehoorapparaat dat nooit meer in hoefde. De dood en het leven waren niet van elkaar gescheiden maar liepen hand in hand. Niet eng. Niet raar ook. En vooral, niet weggestopt. Ik keek naar mijn neefje en nichtje en was trots. Zo trots als een vader kan zijn op zijn eigen kinderen. Althans, dat denk ik. 

IMG_2862

De hemel van mijn opa

De afgelopen week betrapte ik me er op dat ik vaak naar boven keek. Naar de lucht. De grotendeels blauwe  lucht met de witte wolken. Misschien keek ik wel naar de hemel. Ik keek naar boven en dacht aan mijn opa. Twaalf dagen geleden overleed hij. Rustig. Thuis. Met mijn oma en zijn zoon aan zijn zijde. Mijn opa geloofde in een hemel. Mijn oma ook. Toen ik haar vlak voor de begrafenis vroeg waar opa nu was zei ze zonder enig spoor van twijfel: in de hemel.

Hoe ziet hij er nu uit, wilde ik weten. Dat wist ze niet. Dat was ook veel minder belangrijk dan dat hij in de hemel was. 

Mijn opa is zijn hele leven gezegend geweest met een talent voor nieuwsgierigheid. Naar de mensen om hem heen. Zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Maar ook naar de dingen en het leven. Naar het nieuws. Naar wat er op technologisch gebied allemaal mogelijk is geworden in de drieënnegentig jaar dat hij geleefd heeft. Aan de hand van Google Maps liep hij door de straten van de Indonesische stad waar hij eind jaren veertig verbleef. Zijn nieuwsgierigheid beperkte zich niet tot het leven op aarde. Minstens zo benieuwd was hij wat er daarna op hem zou wachten.

Ik vind het moeilijk om een voorstelling van de hemel te maken. Omdat ik niet weet of er een hemel is. Het rotsvaste geloof in een leven na de dood is voor mijn opa en oma altijd een anker geweest. Iets waaraan je je kan vast houden wanneer je gedachten over de dood je de oneindige diepte in trekken. Tijdens de uitvaart citeerde ik Herman Finkers die over de hemel het volgende heeft geschreven:

Ik zat in een tv program en t ging nog verder mis

Er werd mij haarfijn uitgelegd hoe ik mij vergis

De hemel is iets achterhaalds, er wacht ons boven niets

De hemel, wees nou eerlijk, is een verzonnen iets

De veertigste van Mozart en de liedjes van Jacques Brel

Zijn ook ooit verzonnen zei ik, toch bestaan ze wel

Iets kan zijn verzonnen en daarom juist bestaan

Dat soms iets niet verzonnen is, neemt men zo maar aan

Dit lied is ook verzonnen en hoor hoe het bestaat

Ik zing het graag omdat daarmee de hemel opengaat

Dat kan ik doen. Mijn eigen hemel verzinnen. En in die hemel is mijn opa nu. Samen met de mensen die hem lief waren en hem voorgingen. Ik sluit niet uit dat er ook een groot aantal onbekenden op de komst van mijn opa is afgekomen. Omdat ze hoorden dat hij onderweg was. De man over wie op aarde met zo veel liefde wordt gesproken en waar men stiekem al naar uitkeek. Herman, zullen ze zeggen, wat heb je ons lang laten wachten want wat zijn we nieuwsgierig naar je. Pak een stoel en vertel.

En mijn opa zal gaan zitten en vertellen. Over Almelo, de oorlog, over Van Heteren en volleybal. Over zijn vrouw en zijn kinderen. Over de Renault 5 en de Renault 11. Over de Lavendelhof en de Kortricklaan. Hij zal vertellen over de wereld waarin hij rondliep. De wereld die een stukje mooier was toen hij er woonde. Alleen, dat zal hij zelf niet zeggen. Daarom zeg ik het. 

 

IMG_1774

Wongema

Een jaar of twintig jaar geleden ging ik voor het eerst alleen op vakantie. Menorca was de bestemming die de dame van het reisbureau en ik samen hadden uitgezocht. Tot het moment dat ik het reisbureau binnenstapte had ik nog nooit van Menorca gehoord maar het bleek een toch heel behoorlijk eiland te zijn voor de Spaanse kust en samen met Mallorca en Ibiza deel uit te maken van de Balearen. 

Twee weken zat ik daar in mijn eentje en voornamelijk rondom mijn appartementje. In de tuin lag een klein zwembad dat werd gedeeld met een aantal andere vakantievierders. Ik las in die vakantie ‘De ontdekking van de hemel’ en dronk Bacardi Breezers ananas. Veel meer gebeurde er niet. In ieder geval heb ik een keer met mijn ouders gebeld want ik herinner me dat mijn vader vroeg hoe ik het ’s avonds met eten deed. Of ik ook uit eten ging. Nee zeg, in mijn eentje uit eten gaan. Dat scoort een elf op een schaal van een tot tien als het gaat om ongemakkelijkheid. Toch probeerde ik het die avond. Aangemoedigd door mijn vader zocht ik een restaurant in de buurt waar ik helemaal alleen zat te eten. Ik was natuurlijk veel te vroeg want de Spanjaarden schuiven pas rond tienen aan voor de avondmaaltijd. Ik at een entrecote met friet en voelde me, zoals verwacht, hoogst ongemakkelijk. En dat is altijd zo gebleven. Alleen uit eten gaan in de avond voelt als het drinken van een cocktail die bestaat uit eenzaamheid en bekeken worden. In mijn eentje lunchen vind ik geen enkel probleem. Sterker nog, de meeste van mijn blogs schrijf ik in een café aan het Haarlemse Spaarne. De laptop waar ik op zit te schrijven dient als een schild tussen mij en de andere gasten. 

Ik probeer het nog wel, alleen uit eten gaan, als ik in mijn eentje op vakantie ben. In Lucca en op Tenerife lukte het aardig. In Stockholm ging het helemaal mis. Ik was met de metro naar Restaurant Pélican gegaan. Een van mijn favoriete schrijvers, de Noor Karl Ove Knausgård, schrijft over dit restaurant in zijn autobiografische werk ‘Mijn strijd’. De Pélican bleek er heel anders uit te zien dan dat ik er al lezend van had gemaakt. De tafeltjes stonden in lange rijen  keurig naast elkaar en daartussen door liep een ober in klassiek zwart met wit en een servet over zijn rechter onderarm. Nadat ik de ruimte in me had opgenomen wist ik genoeg. Hier eten ging me niet lukken. Ik nam de metro terug naar de buurt waar mijn hotel stond en at bij dezelfde Ierse pub als waar ik de avond ervoor ook had gezeten. 

Vorige week was ik een paar dagen alleen op vakantie in Groningen. Gijs, een van mijn beste vrienden, had me gevraagd of ik een aantal dagen op het huis van hem en zijn gezin wilde passen. De prachtige, oude woning staat op een wierde vlak boven Winsum. In de tuin staan fruitbomen. Appels, peren en pruimen. In de enorme schuur achter het huis woont een uil. Precies een week geleden pakte ik mijn fiets en trapte ik naar Lauwersoog. Daar nam ik de boot naar Schiermonnikoog. Na een aantal uur over Schier te hebben gefietst nam ik de boot terug en fietste terug naar het huis met de uil in de schuur.

0-3

Na een fietstocht van ruim honderd kilometer en een bijensteek in mijn bovenbeen als bonus had ik weinig zin meer om nog eten te maken. Mayke, de vriendin van Gijs, had me geattendeerd op Wongema. Het pension in Hornhuizen wordt deze zomer gerund door drie Amsterdamse vrouwen die er, zoals ze zelf zeggen, pensionnetje spelen. Rond een uur of zeven wordt er een maaltijd geserveerd en wie wil kan aanschuiven. Ondanks dat het alleen uit eten gaan nog steeds een kilometer of drie buiten mijn comfortzone valt besloot ik de gok te wagen. Ik liep zo ontspannen mogelijk het pension binnen en zag een lange, gedekte tafel. Dus niet je eigen tafeltje. Nee, met z’n allen aan een tafel. Naast wat gasten uit het pension en een paar voorbijgangers schoven ook de dames die het pension runden aan.

De sfeer was ongedwongen en ontspannen. Ja, de sfeer was heel prettig. Ik voelde me geen moment alleen of verloren en mijn aanvankelijke scepsis werd door een krachtige zuidwester wind het Groningse land op geblazen. Het was een maaltijd die ik me nog lang zal herinneren. Niet alleen vanwege de verse mosselen die eerder die dag tijdens het wadlopen waren geraapt maar vooral om het feit dat ik op mijn 43e leerde dat alleen uit eten gaan minstens zo leuk kan zijn als met iemand anders. Met dank aan de dames van Wongema. 

 

0-1

Doodstil

Op het provinciehuis van Groningen werkte een wat zonderlinge man. Hij begon op een kamer met zes andere collega’s maar al na een klein jaar had hij een kamertje voor zich alleen gekregen. De ambtenaar had nog nooit een woord met zijn kamergenoten gewisseld wat tot een groot ongemak had geleid. Met z’n zessen hadden ze om overplaatsing van de stille collega geplaatst en vanaf dat moment had man een kamer voor zichzelf gekregen. Het werk waarvoor hij was aangenomen, iets met beleid maken, ging hem niet goed af. Hij diende zijn voorstellen te laat in. Of soms ook helemaal niet. Maar zijn afdelingschef zag wel een ander talent in de man. Wanneer hij hem op zijn kamertje aantrof maakte hij lijstjes. Alleen maar lijstjes. Hij was de lijstenmaker, andere ambtenaren mochten de schilderijen wel maken. Zijn chef had een bijzondere opdracht voor hem binnengesleept. Er moesten nieuwe plaatsnamen worden bedacht voor een aantal Groningse gehuchten en aan de lijstenmaker was gevraagd er een aantal te bedenken en op een rijtje te zetten. En dat deed hij. Hele degelijke plaatsnamen verzon hij. Plaatsnamen die zonder probleem door de gemeenschap overgenomen zouden gaan worden. Plaatsnamen zonder risico, zonder ophef, zonder betekenis. Gewoon plaatsnamen. De mensen die er woonden mochten er zelf een betekenis aan geven. Hij bedacht alleen het kader. 

Wanneer de man zich niet bezig hield met de lijstjes die hij in opdracht moest maken, werkte hij aan zijn eigen lijstje. Hij was net begonnen met een nieuwe. Zacht gniffelend had hij een lijstje met bijnamen bedacht voor de zes collega’s waarmee hij op de kamer had gezeten en die om zijn overplaatsing hadden gevraagd. Maar hij was met zichzelf begonnen. Zijn collega’s hadden hem Doodstil genoemd. Hij vond het prima. De collega die tien minuten voor aanvang van de lunch al richting de kantine ging noemde hij Hongerige Wolf. Hij zette de namen onder elkaar; Doodstil, Hongerige Wolf. Wessel-Hendrik, een kleine roodharige man van midden dertig was in Den Hoorn op Texel geboren. Hem noemde hij Wehe Den Hoorn. Een praatzieke dame die vlak naast hem zat sprak alleen maar in verkleinwoordjes. ‘O, dat is een leuk ideetje. Wat een schattig gezichtje! Eerst nog een klein buitje maar daarna wordt het weer een lekker weertje.’ Op haar bureau stond een verzameling foto’s van de huizen waarin ze gewoon had. Ze noemde het haar kleine huisjes. Zij wérd Kleine Huisjes. De Dingen kreeg haar bijnaam omdat haar stopzin ‘ja zo gaan die dingen’ was. Op elk probleem dat werd aangedragen sprak zij verzuchtend: ‘Ach ja, zo gaan die dingen’. Zijn meest sportieve collega, ze deed aan triatlons, aan retraites en at alleen maar sla, noemde hij Honderd. Want dat wilde ze worden. Honderd. Hij fantaseerde af en toe hoe Honderd tijdens een hardlooptraining door de Groningse weilanden getroffen zou worden door de bliksem. Niks honderd geworden, gewoon achtendertig. En dan was er nog zijn diep gelovige collega. Hij ging elke zondag twee keer naar de kerk en gaf catechisatie aan een aantal jongeren van zijn kerkgemeenschap in Sauwerd. Hem noemde hij Bethlehem. 

Doodstil.

Hongerige Wolf.

Wehe Den Hoorn.

Kleine Huisjes.

De Dingen.

Honderd.

Bethlehem.

T was een mooi lijstje geworden zo. Tijdens zijn pauze, die hij altijd alleen genoot in Het Feithhuis aan het Martinikerkhof op een steenworp afstand van het provinciehuis, keek hij voor een laatste maal naar het lijstje met degelijke Groningse plaatsnamen. Risicoloos. Ze zouden zonder twijfel worden aangenomen. Toen hij wilde afrekenen bedacht hij tot zijn schrik dat hij het lijstje, met daarop de bijnamen voor zijn collega’s, op zijn bureau had laten liggen. Precies op dat moment klopte zijn afdelingshoofd een paar honderd meter verder op de deur van zijn lege werkkamer. Voorzichtig stapte hij naar binnen en zag het lijstje liggen. Doodstil, Hongerige Wolf, Wehe Den Hoorn, Kleine Huisjes, De Dingen, Honderd. Bethlehem. Hij schoot in de lach. Apart, heel apart was de eenzame lijstenmaker. Nu weer dit lijstje met de door hem gevraagde plaatsnamen voor Groningse gehuchten. 

In het Feithhuis rekende Doodstil snel af en spoedde zich naar het provinciehuis. Hij koos voor de trap. De lift ging hem te langzaam. Aangekomen op zijn kamertje zag hij het meteen. Het lijstje met bijnamen was verdwenen. Overvallen en verteerd door schuld en schaamte pakte hij zijn paar persoonlijke eigendommen bij elkaar, stopte ze in een doosje en verdween voor altijd uit het provinciehuis. Op de dag dat zijn overlijdensadvertentie in de krant stond was een paar pagina’s verder te lezen dat de provincie Groningen had gekozen voor een paar opvallende plaatsnamen. Plaatsnamen om mensen even te laten glimlachen. Namen voor gehuchten die normaal gesproken niet zouden beklijven maar nu, door hun bijzondere naam, wel. Doodstil, Hongerige Wolf, Wehe Den Hoorn, Kleine Huisjes, De Dingen, Honderd en Bethlehem.  

 

Unknown-5