Is dat uw dochter?

‘Is dat uw dochter?’, vroeg de ober opgewekt. Naast mij zat mijn zeven jaar jongere vriendin. We waren er allebei even stil van.

‘Pardon?’, vroeg ik.

De jongen die de lunch voor ons op tafel had gezet realiseerde zich dat hij een fout had gemaakt.

‘Nee, niks.’, zei hij en liep iets sneller dan gebruikelijk weg van ons tafeltje. 

Mijn vriendin begon te lachen. Ik nog niet. Ik, die altijd wel zijn woordje klaar heeft, was even met stomheid geslagen. Razendsnel schoten er twee vragen door mijn hoofd. 

Zie ik er zo oud uit? 

Of mijn vriendin juist piepjong?

Hoewel ze wel jonger is dan ik, en ook nog eens heel knap, kan ze niet meer doorgaan voor een achttienjarige. En ik dan? Heb ik het gelaat van een zestigjarige? Nee ook niet. Gelukkig maar. Als ik mezelf hoor zeggen dat ik 42 ben vind ik het maar moeilijk om dat te geloven. Maar goed, t is wel zo. In mijn paspoort staat 3 mei 1976. En Deventer. Daar ben ik geboren. 

Zelf heb ik geen kinderen en ik betwijfel of ik ooit vader word. Mijn vriendin heeft een dochter en dat is te gek. En misschien ook wel voldoende. 

Op zich had het natuurlijk gekund. Ik, een man van 42, met een volwassen kind. Toen mijn vader net zo oud was ik nu, was ik al het huis uit. Mijn ouders waren op hun 42e volwassen en volgroeide mensen. Mensen met verantwoordelijkheden. Met een koophuis in Olst. Lieve mensen die mijn zusje en mij hadden opgevoed. Die ons hadden meegenomen op vakanties naar Frankrijk. Eerst met de trein en later met een huurauto. Met een Fiat Panda. Het koekblik werd zo ontzettend vol gepropt dat onze meegenomen hoofdkussens op de achterbank onder onze billen lagen. Bij elke drempel of oneffenheid in de weg raakte ik met mijn kruin het dak van de auto. Mijn vader die, op de leeftijd die ik nu heb, allebei zijn ouders al had begraven. Mijn moeder die naast haar werk en haar gezin een opleiding in Driebergen afrondde. Mijn ouders die mij troostten toen ik werd afgewezen op de Toneelacademie in Maastricht. Mijn ouders die samen met hun kinderen scholen voor het voorgezet onderwijs hadden gekozen. Die allebei een baan hadden. Halve dagen. Hij werkte ’s ochtends, zij in de middag. Mijn vader die op vrijdag altijd de boodschappen deed, zijn fiets met fietstassen tot aan de achterdeur reed, en de boodschappen een voor een naar ons toegooide. Elke keer weer spannend want als je de ketchup liet vallen had je een bloedbad. Mijn vader die voor zijn 42e al ontzettend ziek was geweest. Die dubbelgevouwen van de pijn op de bank in de woonkamer had gelegen. Mijn vader en moeder die aan de keukentafel brieven schreven voor Amnesty International. Mijn moeder die het contact onderhield met een psychiatrisch patiënte omdat ze anders helemaal alleen zou zijn. Aan wie mijn vader en moeder al hun platen cadeau deden die zij op haar beurt weer had verpatst voor een paar pakjes shag. Mijn vader die een bakfiets huurde toen ik voor de eerste keer binnen Amsterdam verhuisde. Van de Beethovenstraat naar de Watergraafsmeer. Want verhuizen binnen Amsterdam deed je nou eenmaal met een bakfiets. Een romantisch beeld was het wel. Onhandig ook. Ik herinner me nog goed hoe ik in volle vaart op een Jaguar af denderde en pas op het laatst moment de rem, een zware stalen stang tussen mijn benen, omhoog wist te trekken. Mijn ouders die rond Pasen een langwerpig net met snoep, met helemaal onderin een sinaasappel, aan onze deur hingen en bij wie we in bed kropen als we jarig waren.

Kortom, mijn ouders waren op mijn leeftijd al heel volwassen mensen met twee grote kinderen waarvan de een al uit huis was en de ander op het punt stond om een jaar in Straatsburg te gaan wonen. 

Zo bezien is de opmerking van de ober dus helemaal niet zo gek. Ik hád inderdaad best een dochter kunnen hebben. Dat die dochter onmogelijk de leeftijd van mijn vriendin zou kunnen hebben, ach, ze ziet er gewoon een stuk jonger uit dan de leeftijd die ze heeft. En ik misschien wat ouder. Het is prima zo. Want dankzij zijn opmerking reisde ik in gedachten weer even terug naar Olst. Naar mijn ouders. Naar daar waar ik vandaan kom. 

 

De_Bastiaan_en_de_Dorpskerk.jpg

Advertenties

Zakgeld

De zevenjarige dochter van mijn vriendin vraagt me regelmatig of ze geld mag grabbelen. Dat komt zo. Een paar weken geleden had ik wat kleingeld in mijn broekzak. Ik diepte het op en liet haar, de ogen stijf gesloten ogen, een muntje kiezen dat ze mocht houden. Geconcentreerd nam ze de munten een voor een in haar hand en probeerde aan de hand van het gewicht en de grootte het meest waardevolle muntstuk, dat van twee Euro, uit te kiezen. Het lukte. Ze was dolblij en de munt verdween razendsnel in de roze, met klittenband af te sluiten, Hello Kitty portemonnee. Een overblijfsel uit een nog vroegere jeugd.

Twee dagen geleden had ik weer een broekzak vol kleingeld, nam het geld in mij hand, en liet haar twee keer grabbelen. Beide munten mocht ze houden. Het muntje van twee Euro wist ze sneller te vinden dan de vorige keer. Daarna begon het wikken en wegen om de tweede munt uit te kiezen. Ze koos de grootst overgebleven munt, die van vijftig cent, die, om onduidelijke redenen groter is dat het muntstuk van een Euro. ‘Nou ja’, zei ze, ‘ik heb in ieder geval die van twee Euro weer te pakken.’ 

Zelf bezit ik het talent om aan de hand van de vorm, maar vooral door het profiel op de zijkant van de munt, precies te weten wat ik in mijn broekzak heb. 

Op het moment dat de Euro werd geïntroduceerd, op 1 januari 2002, zat ik op de piek van wat later een paniekstoornis bleek. Mijn grootste angst was flauw te vallen. Iets dat uiteindelijk nooit is gebeurd maar wat er wel voor heeft gezorgd dat ik maandenlang geen supermarkt van binnen heb gezien. Te groot, te druk, te licht. Op het moment dat de angst het overnam van mijn verstand stak ik mijn hand in mijn zak en probeerde op de tast te achterhalen hoeveel Euro ik bij me had. Afleiding was het toverwoord. Niet bezig zijn met angst of met wat er allemaal zou kunnen gebeuren maar juist de focus leggen op iets anders. Op de munten in mijn broekzak bijvoorbeeld. Bijkomend voordeel was dat niemand kon zien dat ik in paniek was. Ik stak gewoon mijn hand in mijn zak. 

Een andere manier om ‘bij de les te blijven’ leek daar enigszins op. Ik herinner me een moment in de studio van De Nieuwste Show, een satirisch nieuwsprogramma dat elke werkdag werd uitgezonden. Om onduidelijke redenen was ik gebombardeerd tot ‘entertainmentdeskundige’. Ik interviewde onder andere Youp van ’t Hek, Marco Borsato en Matthijs van Nieuwkerk in de eerste drie weken dat ik daar werkte.

Elke woensdag was ik aanwezig in de studio om daar een entertainmentblokje op te nemen. De eerste take mislukte en vlak voordat we de tweede take gingen opnemen kreeg ik een dijk van een paniekaanval. Bij gebrek aan muntjes in mijn broekzak stak ik mijn hand diep in de zak van mijn pantalon en kneep met duim en wijsvinger hard in mijn bovenbeen. Het voelen van fysieke pijn op een andere plek dan de mentale chaos in mijn hoofd bracht op dat moment enige verlossing. 

Nadat ik ’s avonds kapot was thuisgekomen en ik mijn broek uittrok zag ik een enorme blauwe plek op mijn bovenbeen. De vingers waarmee ik kneep hadden hun stempel achtergelaten.

Aan dat moment in de studio van De Nieuwste Show moest ik denken toen het zevenjarige meisje de munten in mijn hand aftastte. En gelukkig was die herinnering al weer vervlogen toen ze haar roze Hello Kitty portemonnee omkeerde om het geld te tellen dat ze tot nu toe bij elkaar spaarde.

 

Unknown

Over de golven en steeds minder strand

Vijf maart. Vandaag is Jeroen jarig. Ik leerde hem kennen toen we samen naar de kleuterschool gingen. We doorliepen samen de lagere school en op de middelbare school zaten we in hetzelfde gebouw waar hij het gymnasium deed en ik de mavo. We gingen samen op tienertour en sliepen bij de zus en zwager van mijn oma in Boskoop waar we samen met mijn oud-oom op een bootje over de Gouwe vaarden. We gingen ook naar Valkenburg. Dat weet ik nog omdat er ergens in mijn huis een zwart-wit foto slingert van twee jonge jongens in een kabelbaan. Onderaan de foto staat heel groot VALKENBURG. Het zal dus wel in Valkenburg geweest zijn. 

Na de middelbare school vertrokken we allebei naar Amsterdam waar we zelfs kort even een etage deelden. Daar kwam een einde aan toen de gemeente erachter kwam dat we daar in onderhuur zaten en de eigenaar van de woning ons zonder pardon op straat zette. Ik vertrok naar Maastricht waardoor het contact minder werd maar toen ik weer terugkwam in Amsterdam zagen we elkaar vaker. De relatie die Jeroen al jaren met Marlies had ging uit en ik nodigde hem bij mij uit om zijn hart daarover te luchten. Jeroen kwam net terug van een trip naar Lviv in Oekraïne en waar ik een intens verdrietige en gebroken vriend verwachtte stoof er een hevig verliefde jongeman de trap naar mijn etage op. Tijdens de trip was de vonk overgeslagen met Gabrielle. Marlies was voltooid verleden tijd, Gabrielle het heden en de toekomst. In de zomer van 2000 trouwden ze in Weesp en was ik een van de getuigen. Voor de gelegenheid was ik met mijn moeder de stad in gegaan en kocht ik voor het eerst in mijn leven een pak. Een echt pak. Een grote mensenpak. Ik was een dunne jongen in een grote mensenpak van Van Gils. Niet lang na het huwelijk werd ons contact minder. Zonder aanwijsbare redenen overigens. Soms gaat dat zo. Ik ging nog langs na de geboorte van hun eerste en tweede kind en daarna heb ik Gabrielle niet meer gezien. Jeroen kwam ik nog een keer tegen in de trein van Den Haag naar Amsterdam. We kletsten kort, mompelden iets ‘over contact houden’ en zeiden elkaar gedag op Amsterdam Sloterdijk. We zagen elkaar nooit meer. Onlangs zag ik zijn broer in Olst. Ik vroeg hoe het met Jeroen ging. Het ging goed met hem. 

Vijf maart dus. De verjaardag van Jeroen. Ik herinner me de verjaardagen uit mijn vroegste jeugd nog goed.

Marieke, 4 mei. Michiel, 6 januari. Laura, 30 november. Jeroen M., 2 april. Maarten, 5 juni. 

Allemaal kinderen uit het buurtje dat mijn hele wereld was.  Van alle mensen die ik op latere leeftijd leerde kennen is het veel moeilijker gebleken om verjaardagen te onthouden. Wat dat betreft is Facebook een uitkomt. Al gaan de verjaardagen van Zjon en Yorick nu stilletjes aan me voorbij sinds ze van Facebook zijn verdwenen.

Van dat wat ver in het verleden ligt kan ik me nog veel scherp herinneren. Kennelijk staat dat zo diep in het geheugen gegraveerd dat er heel wat moet gebeuren om dat deel te wissen. 

Dat blijkt nu ook bij mijn opa. De golven van Alzheimer spoelen steeds verder zijn strand op. Maar waar ze aan land komen en wat ze daarbij verwoesten is elke keer weer ongewis. De nieuwste stukken strand, de meest recente herinneringen, worden onherroepelijk als eerste het diepe, donkere water ingetrokken en komen nooit meer terug. Daar waar de duinen beginnen liggen de herinneringen aan zijn tijd in Indonesië. Direct achter de duinen liggen de allereerste herinneringen. De gedachten aan een jeugd in Almelo die begon in de zomer van 1926 en eindigde in 1945 op het moment dat de Canadezen zittend op hun tanks de stad binnen kwamen rollen. Zoals de tanks rolden, rollen nu de golven. Steeds verder en verder. Ik hoop dat de golven een eind voordat ze bij de duinrand aankomen besluiten dat het wel goed is geweest. Dat hun werk vernietigend genoeg was voor een oude en broos geworden man. Zodat hij, in de tijd die hem nog rest, in ieder geval kan blijven wonen in zijn vroegste herinneringen. 

 

IMG_4792

Foto: Ferdinand Borger

Dat is Stan helemaal niet!

De eerste keer dat ik op tv kwam herinner ik me nog goed. Het was niet, zoals in de jaren daarna het geval zou zijn, als acteur maar ‘gewoon’ als mezelf. Ik was zestien jaar en had net een van de eindexamens op de MAVO achter de rug toen ik de sporthal uitliep en er een filmploeg van Deventer TV stond. Ze vroegen me hoe het was geweest. Het examen zelf ging prima maar er was wel behoorlijk wat gedoe geweest hoorde ik mezelf zeggen. In een van de ventilatoren die zorgde voor frisse lucht in de gymzaal was een duif gekropen die daar driftig begon te koeren. De enige manier om dat beest daarvan te weerhouden, en zo de leerlingen hun concentratie terug te geven, was om de ventilator aan te zetten en dan maar te kijken wat er zou gebeuren. Conciërge Bertus zette de ventilator aan en niet veel later hield het gekoer op. Maar niet voordat we allemaal hadden gehoord hoe de duif tot kleine stukjes werd geventileerd. 

Ik keek naar mezelf op televisie en schrok. Het was voor het eerst sinds de schaamte in mijn leven was geslopen dat ik mezelf hoorde praten. En o, wat een accent! Dat accent is nu, na jaren van theateronderwijs en een half leven in de Randstad, helemaal verdwenen maar het heeft even geduurd.

Hoewel ik als acteur vaak op televisie ben geweest kan ik godzijdank volstrekt anoniem over straat. In al die jaren ben ik er maar drie keer op aangesproken en aangezien alle drie de keren hoogst ongemakkelijk waren zou ik er niet rouwig om zijn als het daarbij blijft.

De eerste keer was ik een jaar of twintig. Ik liep op metrostation Waterlooplein toen ik achter me twee meiden hoorde giechelen. Ik had kort daarvoor mijn eerste commercial opgenomen, voelde me geweldig stoer, en dacht dat ik herkend werd. Trots draaide ik me om waarna het ene meisje tegen het andere zei: ‘Dat is Stan helemaal niet!’. Nee, ik was Stan niet. Want Stan werd in Goede Tijden, Slechte Tijden gespeeld door Paul Groot op wie ik, alleen als je door de wimpers keek en minimaal -4 aan beide ogen had, een beetje leek. Snel draaide ik me weer om en liep door.

De tweede keer dat ik op straat werd aangesproken was in 2009. Ik speelde in die tijd in een serie die de Badgasten heette. Als Badgasten werden we gepresenteerd als de opvolgers van de razend populaire Lama’s die kort daarvoor de Gouden Televizierring hadden gewonnen. Dat we die verwachting nooit zouden kunnen gaan inlossen was vanaf het allereerste begin eigenlijk meteen al duidelijk. De chemie die de Lama’s onderling, maar vooral met presentator Patrick Lodiers hadden, leek geenszins op de band tussen de Badgasten en presentator Valerio Zeno. Kort nadat het programma van de buis was verdwenen stond ik op het station in Deventer te wachten op mijn oom met wie ik samen richting Amsterdam zou reizen toen er een jonge jongen op me afkwam. Hij liep wat om me heen, keek me doordringend aan en vroeg toen of ik Matthijs van de Badgasten was. Ik kreeg het bloedheet. Toen ik droomde over het acteur zijn leek het me te gek om herkend te worden maar nu schoot ik in een kramp. En voordat ik wist zei ik: ‘Nee hoor, dat ben ik niet.’

‘Jawel’, zei die jongen, ‘jawel toch?’. En voor de tweede keer ontkende ik wie ik was. Ik zei er nog wel bij dat ik het vaker had gehoord en schijnbaar op Matthijs leek. De blik van de jongen verried dat hij zich duidelijk in de maling genomen voelde maar hij nam zijn verlies en liep weg. Op dat moment kwam mijn oom de stationshal binnen en galmde: ‘Matthijs!’. De jongen die inmiddels een meter of twintig verderop was draaide zich meteen om, keek me aan en schudde alleen maar even met zijn hoofd.

De derde en hopelijk laatste keer dat ik herkend werd was in de supermarkt. In ‘mijn’ Albert Heijn in de Haarlemse binnenstad. Nadat ik mijn boodschappen had afgerekend, een paar bananen, havermout en twee bakken kwark van het huismerk, zei caissière Ingrid net iets te hard: ‘Ja nou heb je de verkeerde kwark gekocht hoor!’. Heel even had ik geen idee waar ze het over had. Toen bedacht ik me dat ze doelde op een commercial die ik samen met Epke Zonderland opnam voor Campina. En dat ik dus Campina kwark had moeten kopen in plaats van het huismerk. Ze bedoelde het goed maar ik werd er zo ongemakkelijk van dat ik vanaf die dag niet meer in de rij voor Ingrid’s kassa ga staan. Sinds kort kan ik in mijn Albert Heijn zelf afrekenen. En daar ben ik echt, heel, heel gelukkig mee. 

 

IMG_4763

Stil de tijd

Precies twee maanden geleden liep ik na een wandeling van 34 kilometer de kathedraal van Trondheim binnen. In de maand die daaraan was vooraf gegaan bewandelende ik St. Olavsleden, een pelgrimsroute van de Zweedse oostkust naar Trondheim aan de Atlantische kust. Op vrijdag zestien augustus rondde ik de wandeling van ruim 570 kilometer af.

Door Marcel en Elise, twee Nederlandse pelgrims die ik onderweg ontmoette, was ik gewaarschuwd voor een anti-climax in Trondheim. Er zou geen erehaag van klappende mensen staan en er zouden geen gladiolen worden uitgedeeld. Vorig jaar liepen de twee vanuit hun Twentse woonplaats naar Santiago de Compostela, een wandeling van bijna 3000 kilometer, en toen ze daar aankwamen was er niets. Ja, een kathedraal, heel veel toeristen en Spanjaarden die net aan hun siësta waren begonnen.

Ik bereidde me voor op die anti-climax maar vond het toch echt fantastisch om in Trondheim aan te komen en een papieren bewijs, een zogenaamde Olavsbrief, in ontvangst te nemen waarop stond geschreven dat ik de route had voltooid. Tijdens de wandeling konden overal stempels worden gevonden die ik in het pelgrimspaspoort zette en waardoor men in Noorwegen kon zien dat ik ook daadwerkelijk overal geweest was. Met de Olavsbrief in mijn rugzak en mijn pelgrimspaspoort in de hand liep ik de kathedraal binnen waar ik, op vertoon van het paspoort, gratis naar binnen.

‘Congratulations’, zei de bleke jongen achter de kassa. Ik knikte trots en liep de kerk in. Na een kort bezoek aan de kathedraal liet ik mezelf fotograferen naast een steen die aangaf hoeveel kilometer er nog te lopen was. 0 kilometer. Ik was binnen, het was me gelukt en ik liep over van trots. 

 

FullSizeRender

Tijdens mijn reis had ik regelmatig contact met Francine, een Nederlandse pelgrim, die het pad in mei en juni had gelopen. Ze vertelde toen dat het voor haar al weer een eeuwigheid geleden leek en zei dat ze af en toe terug verlangde naar het wandelen, de stilte, de natuur. Ik kon me niet voorstellen dat een reis die zo overweldigend is al weer zo snel naar de achtergrond kan verdwijnen totdat het een klein plekje, ergens achter in je hoofd, bewoond.

Dat was twee maanden geleden. 

Inmiddels begrijp ik Francine heel goed. De reis, wie vakantie zegt krijgt een tik, is steeds minder prominent aanwezig in mijn dagelijks leven. Een dagelijks leven dat er sinds ik ben teruggekomen niet op vooruit is gegaan. Het doel dat ik voor mijn reis had, de pelgrimage zelf, en tijdens de wandeling, het dagelijks van A naar B lopen, was weggevallen en had een grote leegte in mij geslagen. Een doelloze leegte die ik niet gevuld kreeg. Een leegte ook waarmee ik anderen niet lastig wilde vallen en die er voor zorgde dat ik mezelf bewust, maar ook even zo vaak onbewust, afsloot.

Een leegte die er voor zorgde dat mijn ontluikende relatie met een prachtige vrouw, gezegend met een schat van een dochter, al weer in de knop werd gebroken. 

Het waren twee lege maanden die ik probeerde te vullen met het zoeken naar aandacht, het zoeken naar bevestiging, met het drinken van wijn en het eten van chocolade. Maar niets van dit alles kwam maar in de buurt van hoe ik me in Zweden en Noorwegen had gevoeld. Anders dan op een eventuele deceptie bij aankomst in Trondheim was ik hier niet op voorbereid. Ruben, een Nederlander die aan het pad woont en voor mij de accomodaties boekte, had het over de post-walking blues. Die blues duurt nu twee maanden en langzaamaan lijken mijn dagen zich weer te vullen. Dat is ook waarom ik er nu over schrijven kan.

 

IMG_2895

Gisteren zag ik Jacqueline Govaert optreden in De Wereld Draait Door. Ze zong ‘Stil de Tijd’, haar nieuwste single die ze speciaal voor haar theatertour schreef. Het nummer is prachtig. En ik zou, met haar, willen dat het kon. De tijd stilzetten. Al was het maar voor eventjes.

‘En ik weet wel dat het helemaal niet kan

Maar het gaat zo snel voorbij

En ik ben bang dat ik vergeet

De lange volle dagen

Het eindeloze praten

Jij en ik en wij

Stil de tijd’

 

 

Allez Les Bleus

Wereldkampioen Frankrijk speelde zeker niet het mooiste voetbal van het WK. De Belgen waren veel fijner om naar te kijken en in de finale speelden de Kroaten veel gedurfder en een stuk minder berekenend dan de Fransen. ‘Kampioen van de armoede’ roept men dan. Zal allemaal best maar in Frankrijk malen ze er niet om. En niet alleen in Frankrijk. Ook in Haarlem, in het huis waar mijn achtjarige neefje samen met zijn ouders en zijn zusje woont, was het gisteren een groot feest. Door zijn Franse vader voelt mijn neefje zich net zo Frans als Nederlands en tijdens het afgelopen WK was hij een fanatiek supporter van Les Bleus. In het shirtje dat de Fransen dit toernooi droegen en met de naam van vedette Griezmann achterop keek hij zich letterlijk nagelbijtend door het toernooi heen.

Op de dag van de eerste wedstrijd, tegen Australië, was hij in de ochtend maar begonnen met het lezen van de Donald Duck zodat de tijd sneller zou gaan en naar mate het toernooi vorderde, en de Fransen verder kwamen, namen de spanningen en de zenuwen alleen maar toe.

Gisteren, op de dag van de finale, had hij buikpijn. De pizza die in de tweede helft werd geserveerd bleef onaangeroerd voor hem liggen en het blikje cola, speciaal voor deze gelegenheid aangeschaft, bleef tot het einde van de wedstrijd in de koelkast staan.

Ik moest terugdenken aan 25 juni 1988. Het was de dag waarop Nederland de finale van het EK speelde tegen de USSR. Samen met mijn vader was ik uitgerekend op die dag wezen wadlopen van Lauwersoog naar Schiermonnikoog. Koud en kapot kwamen we aan in een café waar de wedstrijd werd uitgezonden. Mijn vader dronk bier. Ik mocht zoveel cola drinken als ik wilde. Echte cola. Geen 3es zoals we thuis hadden.

Het eigen doelpunt van Mandzukic, dat de Fransen in de finale gisteren op voorsprong bracht, zorgde voor de ontlading van heel veel spanning bij mijn neefje. Met een rood hoofd en licht bezweet sprong hij op en ‘high fivede’ zijn vader. Maar even daarna bleek dat nog lang niet alle spanning uit zijn lijfje verdwenen was. Nadat Perisic de Kroaten op 1-1 had gezet barstte hij in een enorme huilbui uit. Lange halen en ontroostbaar klom hij op de schoot van zijn moeder. Toen de Fransen kort voor rust op 2-1 kwamen werd de conclusie getrokken dat het kennelijk geluk bracht als hij bij zijn moeder op schoot zat. Daar bleef hij tot diep in de tweede helft, en tot na de 4-1, zitten.

Na 95 minuten was het voorbij. Zijn land was wereldkampioen. Hij heeft op zijn achtste al meegemaakt wat ik in 42 jaar nog nooit heb ervaren; wereldkampioen worden.

Vandaag heeft hij het shirt van Frankrijk aan naar school. Ik verwacht dat het voor hem een prachtige dag zal gaan worden. Het enige nadeel is dat het shirt nu al weer gedateerd is. Want wie wereldkampioen wordt krijgt een ster op het shirt. Frankrijk had er al een, na de winst in 1998, en die staat het shirt van mijn neefje maar nu heeft Frankrijk er dus twee. Twee sterren! Maar ach, voor zijn oom is dat een mooie gelegenheid om hem, wanneer Frankrijk weer eens een eindtoernooi speelt, een nieuw shirt te geven. Een met twee sterren op de voorkant als aandenken aan een prachtig voetbaltoernooi in de zomer van 2018.

 

62f2ee54-b92d-4041-9ac7-cb3834126ba7

Een zwerm zwarte vliegjes

In zijn prachtige boekje ‘Reisoefeningen’ schrijft de Utrechtse dichter Ingmar Heytze over zijn paniek en zijn angsten. Zijn wereld werd steeds kleiner en speelde zich op een gegeven moment alleen nog maar af binnen de stadsgrenzen van Utrecht. Verder durfde hij niet meer. Te bang geworden om een paniekaanval te krijgen. Door op de fiets te stappen krijgt hij langzaam het vertrouwen in zichzelf weer terug. Het fietsen blijkt een helende werking op hem te hebben en zorgt er voor dat, langzaam maar zeker, zijn actieradius steeds wijder wordt Hij verlaat de stad en op den duur zelfs de provincie. Het fietsen geeft het de vrijheid terug die zijn hoofd hem had afgenomen.

Ik herken met sterk in dat deel van Heytze. Voor mij heeft fietsen ook een therapeutische werking. Niet fietsen is in alle gevallen minder voor mijn gemoed dan wel fietsen. Maar ook tijdens het fietsen word ik soms (of zelfs) nog overvallen door angst. Helaas.

Gisteren stond er een bijzondere tocht op het programma. Samen met Frank, Yorick en Jan-Willem zou ik, vanuit Haarlem, een rondje om het IJsselmeer gaan fietsen. Dwars door Noord-Holland, over de Afsluitdijk, Friesland, Flevoland met de Oostvaardersplassen, langs het Muiderslot en door Amsterdam heen. 307 kilometer in totaal. Naarmate de dag van de tocht dichterbij kwam werd ik steeds prikkelbaarder. En daarmee gepaard ging de zin om het af te zeggen. Want wat als ik de afstand niet aan zou kunnen, of het tempo van de anderen? Of wat wanneer een hongerklop me zou vellen of wat, en dat was het ergste, ik zou worden overvallen door een paniekaanval?

Zeker tien keer heb ik overwogen om het af te zeggen. Soms met een smoes, soms ook wel door eerlijk te zijn en aan mijn vrienden te vertellen dat ik het niet (aan)durfde. Op het laatste moment besloot ik helemaal niets af te zeggen en wel degelijk te gaan fietsen.

De nacht voor de rit sliep ik maar vier uur. Veel minder dan de anderen die veel vroeger naar bed gingen. We spraken om half zes ’s ochtends bij de pont af. Ik was er als eerste. Daarna kwamen Frank en Yorick en tot slot Jan-Willem. We waren alle vier zenuwachtig voor wat voor ons allemaal de langste tocht ooit zou gaan worden.

fd224aeb-84f2-4c54-a6f1-e186bc3a0ae1

En tijdens die lange tocht gingen we alle vier, op onze eigen manier door een dal of door dalen. Yorick was de laatste veertig kilometer hyperalert omdat een vorige monsterrit na 260 kilometer eindigde met een smak op het asfalt, een rit in de ambulance en een gebroken jukbeen. Jan-Willem gaf in Lemmer al aan dat hij geweldige last had van beide knieën. En toen waren we net op de helft en moest het ergste deel nog komen. Frank leek even zwarte sneeuw te zien op de Afsluitdijk maar dat bleken kilometerslange zwermen vliegjes die als een dunne, zwarte rookwolk boven de witte lijnen op het fietspad zwermden.

Zelf ging ik een aantal maal door een mentaal dal waarin ik bang was voor een opkomende angstaanval. In Amsterdam, achter het Centraal Station en met nog maar 25 kilometer te gaan, leek het mis te gaan. De vele mensen, de geluiden die bij een station horen en de afmattende vermoeidheid waren mijn zwarte sneeuw. Mijn wolk van vliegjes. Niet op de Afsluitdijk maar gewoon in de hoofdstad. Ik twijfelde even. Doorfietsen naar Haarlem met een, waarschijnlijk, niet meer afnemende angst of een klein pilletje nemen waardoor de angst zou gaan zakken. Ik koos voor het laatste. Deze dag en deze ervaring zou ik mij niet meer laten ontnemen.

Rond half acht reden we Haarlem binnen. Veertien uur waren we onderweg in wat voor ons allemaal een memorabele rit was geworden.

Mijn actieradius had zich uitgebreid tot een rit boven de 300 kilometer. Maar meer dan dat was het een overwinning. Een overwinning op de irrationele angsten die mij, vaker dan me lief is, proberen klein te houden. Het is ze gisteren niet gelukt.

91ac5e74-0a63-4a28-a5dc-56f6b626535a

Foto’s: Yorick Dix