Matthijs vertelt een verhaal

Mijn leven is geen aaneenschakeling van spannende momenten. Niet van ‘nou nou, wat ik nóu weer heb meegemaakt’ en zo. Is ook helemaal niet erg trouwens. Vind het prima zo. Maar zaterdag was dat anders. Zaterdag gebeurde er wél wat. Ik vertelde het aan mijn neefje en een vriendinnetje. Ze zaten op de achterbank van mijn auto en we waren op weg naar de dansvoorstelling van mijn nichtje.

‘Vanmiddag’, begon ik,’ heb ik écht iets meegemaakt’. Terwijl we de randweg om Haarlem opdraaiden vertelde ik verder. 

‘Ik liep vanmiddag door de velden bij Spaarndam toen ik een enorme karper op de kant zag liggen. De vis was zeker een halve meter groot en goudkleurig. En het rare was, er was niemand in de buurt. Ik had geen idee hoe die vis daar terecht was gekomen of waarom ie daar lag. Wel zag ik dat de karper nog leefde. Ik stond in dubio. Want wat te doen? Toen ik dichterbij kwam begon hij driftig met zijn staart te slaan. Dat ik zelf nooit een visser ben geworden heeft vooral te maken met het het feit ik zo’n beestje, een voorntje of een baarsje, niet vast durf te pakken om het haakje uit zijn bek te halen. En voorntjes en baarsjes zijn kinderspel vergeleken bij de enorme karper van vanmiddag.’ Ik liet even een pauze vallen. Bouwde de spanning daarmee op en schakelde terug voor een van de vele stoplichten langs de randweg.

‘Die karper lag dus als een malle te klapperen met zijn staart’, ging ik verder, ‘en eerlijk gezegd wist ik niet wat ik moest doen. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om het beest daar te laten liggen en het een zekere dood te laten sterven. Ik was zijn enige redding. Daarom ging ik op zoek naar een stevige stok of tak om hem richting het water te kunnen rollen. De eerste tak was te dun en brak toen ik m voorzichtig onder de vis duwde. Daarna vond ik een lange, stevige tak. De vis rolde van zijn ene op de andere zij en wat me vooral opviel was hoe zwaar het beest was. Na twee of drie keer zo te hebben gerold sloeg hij weer met zijn staat. Precies op het moment dat ik hem een zetje gaf! En dat was genoeg! De vis kwam met een luide plons in het water terecht. Daar bleef hij eerst rondjes op zijn zijkant draaien en dacht ik dat het te laat was geweest. Maar plotseling begonnen de vinnen op de zijkant van zijn lijf te bewegen en daarna kwam de machtige staart in beweging. Heel kort kon ik de karper nog zien voordat deze de diepte van het donkere water inzwom.’

We waren bijna bij het theater aangekomen waar de dansvoorstelling plaats zou vinden. Ik keek in de achteruitkijkspiegel en verwachtte daar de ontzette blikken van de kinderen op de achterbank te zien. Niets was minder waar. Ze kijken allebei naar buiten. Mijn neefje naar rechts, het vriendinnetje naar links.

‘O’, zei mijn neefje.

‘Zijn we er bijna?’, vroeg het vriendinnetje.

‘Ja, we zijn er bijna’, zei ik terwijl ik richting aangaf om de randweg te verlaten. En terwijl ik dat deed zag ik mijn verhaal, net als de karper eerder op de dag, in het niets verdwijnen. 

Advertenties

Wachtkamerblues

Wachtkamers zijn bijzondere biotopen. Met name de wachtkamers waar je liever niet komt en dat zijn ze eigenlijk allemaal. Die van de dokter, de tandarts, in het ziekenhuis. De wachtkamer op het bescheiden stationnetje van Olst rook vroeger naar heimelijk binnen gerookte sigaretten die waren uitgedrukt op het groene kunststof van de banken. Daar waar de peuken waren uitgedrukt was de groene kleur vervangen door zwart met keihard opkrullende randjes. 

Maar de meeste wachtkamers ruiken eigenlijk nergens naar. Echt wachten gebeurt er trouwens niet meer. De meeste mensen zitten op hun telefoon. Of lezen een tijdschrift. Gisteren zat ik te wachten in het ziekenhuis en bekeek de tijdschriften die om me heen lagen. De tijdschriften die ik meestal ongelezen laat liggen want het idee dat daar allerlei mensen met diverse kwalen aan hebben gezeten heeft op mij een mild afschrikwekkende werking. Mijn blik viel op het tijdschrift ‘Doorgang’. Het was een editie die dit jaar was uitgekomen en op de cover stond heel groot dat het om de DARMSPECIAL ging. Goed idee wel. Om een tijdschrift over darmen en alle klachten die daarbij horen ‘Doorgang’ te noemen. 

Naast de ‘Doorgang’ lag er nog een medisch tijdschrift dat het ‘RM Revalidatiemagazine’ heette. Niet echt een blad dat je op je gemak gaat lezen om de tijd te doden voordat je naar de chirurg gaat lijkt me. Wat de ‘Doorgang’ en het revalidatiemagazine onderscheidden van een groot deel van de andere tijdschriften is dat ze relatief nieuw waren. Ik zag namelijk ook een ‘Paard en sport’ uit het najaar van 2016, een ‘National Geographic Junior’ van augustus 2012 en een ‘Zo zit dat’ uit 2009. 

De wachtkamer van mijn huisarts ligt aan het einde van een lange gang, aan de linkerkant. Op het moment dat je daar naar binnen loopt heb je nog geen zicht op het aantal mensen dat binnen zit. Ik hoop elke keer op een lege wachtkamer maar stiekem weet ik wel beter. De afspraken bij de dokter lopen altijd uit waardoor de wachtkamer meestal vol zit. In de split second dat je over de drempel stapt is het zoeken naar een vrij plekje op een van de groene stoelen. Soms duurt dat zoeken net te lang. Dan wordt het ongemakkelijk en vermoed ik dat de aanwezigen hopen dat ik niet voor de stoel direct naast hen zal kiezen. 

Ik weet ook nooit hoe ik moet groeten. Of dat ik überhaupt wel moet groeten. Niet te vrolijk en niet te mat in ieder geval. Zo neutraal mogelijk. Je weet immers niet waarom de anderen daar zitten te wachten. Van mij hoeven nieuwkomers niet te groeten. Op de een of andere manier vind ik het heel ongemakkelijk wanneer er iemand binnenkomt, groet, en de andere aanwezigen een voor een en half binnensmonds wat terug zeggen. 

Wachtkamers, het zijn bijzondere biotopen. En toch hoop ik maar dat ze nooit gaan wennen.

 

28720629-fe5e-4767-834d-a8d041ebbd50

Op de bodem van het zwarte water

Mijn oma vierde afgelopen zaterdag haar 94e verjaardag. Omdat de Deventer verzorgingsflat waar zij met mijn opa woont te klein is om daar met een gezelschap van negen een verjaardag te vieren gingen we naar buiten. Vanuit Deventer reden we via Diepenveen, De Eikelhof en Olst naar Den Nul. Daar, bij het bezoekerscentrum, parkeerden we de auto’s. Het terras waar we zaten had uitzicht op de Lange Kolk. In dat pikzwarte water haalde ik lang geleden mijn B diploma. In de Lange Kolk was met behulp van betonnen afzettingen een natuurzwembad aangelegd. Door na al die jaren dat beton te zien voelde ik het weer onder mijn kindervoeten. Ik zag de afdrukken die mijn natte voeten maakten en ik dacht terug aan schuimblokken die smelten op je tong en aan de zachtzoete smaak van trekdrop. Ik herinnerde me hoe we tijdens het examen voor ons B diploma moesten watertrappelen in het zwarte water. Henk was van alle kinderen de allergrootste en hij bekende na afloop helemaal niet te hebben getrappeld. Hij stond gewoon op de bodem en stak zijn wijsvingers boven het wateroppervlak uit. Voor de vorm wiebelde hij nog wat met zijn hoofd. 

Op het terras aten we taart en later nootjes en taco’s. Na een goed uur vertrokken we weer richting Deventer. 

Mijn opa zat in de auto naast mij op de bijrijdersstoel in wat, nog niet zo lang geleden, zijn auto was.  

Het Sallands lentegroen deed hem zichtbaar goed. Naar mate we langer in de auto zaten kwamen er steeds meer herinneringen bij hem naar boven. Dwars door het zwarte water dat zijn korte termijngeheugen is geworden voelde hij vaste grond onder zijn voeten en zag de oude kerk, de watertoren en het huis aan de Kortricklaan waar hij samen met mijn oma woonde. 

Over de dijk en langs de IJssel reed ik met hem terug naar de verzorgingsflat in het centrum van Deventer. Terwijl ik van Den Nul naar Deventer was gereden maakte mijn opa zijn eigen reis. 

Vlak na het uitstappen keek bij me even kort aan. ‘Ik ben trots op je’, zei hij. ‘Dank u’, mompelde ik terwijl ik even voorzichtig in zijn veel te dunne bovenarm kneep. 

 

53314555_10215756409801446_4744788540989112320_o

foto: Erica de Graaf (die veel meer hele gave foto’s maakt. Insta: @fraugraaf)

Ik heb het nog nooit gedaan

De prachtige dochter van mijn vriendin is in december zeven jaar geworden. Wanneer we met z’n drieën uit eten gaan gaat er steevast een schriftje mee. Om in te tekenen maar ook om in te schrijven. Het liefst vieze woorden. Poep, shit, kut, kak, piemel, dat werk. Samen met haar beste twee vrienden, haar neef en nicht van tien en acht, heeft ze het ook wel eens over dat andere, hele vieze woord. Seks. Het blijkt onmogelijk om ‘seks’ uit te spreken zonder een waterval van gegiebel. Samen met haar neef had ze het vorige week over seks. En over hoe vaak mensen hét dan wel niet doen. Haar neef wist zeker dat zijn ouders het minstens twee keer hadden gedaan. Hij had immers een zusje. De dochter van mijn vriendin zei dat haar moeder hét maar een keer had gedaan want anders was zij er niet geweest. Een keer maar. Maar toch, vies was het wel.

‘Maar Matthijs’, zei ze opgelucht, ‘Matthijs heeft geen kinderen. Die heeft het dus nog nooit gedaan’. Er klonk een zucht van verlichting door haar stem. 

Haar neef keek haar even aan en dacht toen terug aan de afgelopen jaarwisseling. Samen met de familie van mijn vriendin zaten we in een enorm huis ergens in Zeeland. 

‘Nou, in Zeeland,’ zei hij, ‘heb ik Matthijs in zijn blootje gezien. En ze slapen ook in hun blootje. Dus…’ Meer was er niet voor nodig om een heel geruststellend wereldbeeld te doen kantelen. Heel, heel, langzaam drong er een verschrikkelijk besef tot haar door.

‘Kut…’, mompelde ze zachtjes. 

Werk, werk, werk

Mijn werkzame leven werd geboren in de achtertuin van meneer Van H. Een keer in de week diende het gras in de tuin achter de boerderij aan de rand van het dorp te worden gemaaid. Mijn vriendje Jeroen had dit enige tijd gedaan maar vond het tijd voor een volgende stap in zijn carrière waardoor de vacature van ‘grasmaaier op zaterdagochtend’ vrij kwam. Ik reageerde en kon meteen beginnen. Alles bij elkaar was ik een klein uur bezig om met de handmaaier het gras kort te wieken. Mijn loon werd cash, en zonder tussenkomst van de belastingdienst, uitbetaald. Vijf gulden per keer. De grasmaaier stond in de schuur. Die was altijd open was dus ik kon, zonder meneer van H. te storen, meteen aan de slag. Maar voor het geld moest ik wel naar meneer Van H. Die lag op die zaterdagochtenden, eind jaren tachtig, meestal nog op bed. Meneer van H. had een relatie met juf A. Een oude juf van mijn basisschool. Juf A. gaf handenarbeid en ik was altijd een beetje bang voor haar. Ik vond het altijd heel raar om mijn oude, strenge, juf op haar vrije zaterdagochtend bij meneer Van H. in bed aan te treffen. Ik kwam er toen achter dat het begrip handenarbeid op meerdere manieren uit te leggen valt. Maar misschien had ik ook even moeten kloppen voordat ik, niets vermoedend, de slaapkamerdeur opende.

Ik herinner me een ochtend dat ik aan het maaien was. Het was net licht aan het worden en de dauw stond druppeldik op het gras. Plotseling blokkeerde de grasmachine even. Pas toen ik stevig doordrukte kwam er weer beweging in en begonnen de messen weer over het gras te scheren. Op datzelfde begon het enorm te stinken. Ik stopte met maaien omdat ik wilde weten waar de lucht vandaan kwam. Dat werd snel duidelijk toen ik inzoomde op de messen van de grasmaaier. Tussen en op de scherpe bladen lagen de resten van wat kort daarvoor nog een intacte mol was geweest. Waarschijnlijk was het dier al even dood wat ook de geur verklaarde. 

Mijn carrière als grasmaaier heeft niet lang geduurd. Ik gok een half jaar. Daarna nam ik een krantenwijk, werkte ik in een fabriek waar plastic bekertjes werden gemaakt en stond ik boze boeren te woord als telefonisch medewerker van de Gezondheidsdienst voor Dieren in Deventer. Ik werkte op de optiebeurs in Amsterdam waar ik een chef had die Van Balveren heette en mij op de eerste dag vroeg of ik in ieder geval wel het verschil wist tussen call en put opties. Ik had geen idee. 

En ik werkte in de kinderopvang waar ik zonder diploma terecht kon door een schreeuwend gebrek aan mannen in die sector. En op een camping in Frankrijk waar ik een baas had die sliste, zweette en mij veel harder liet werken dan de afspraak was.

Ik werkte voor Cirque du Soleil en woonde daardoor ruim twee jaar in hotels. Daarna werkte ik redacteur voor onder andere Paul de Leeuw en Spijkers met Koppen. Maar ook als receptionist bij de Rode Hoed en het Europees Platform. De locatie van het Europees Platform was perfect. Het lag aan het station en op driehonderd meter van mijn huis. Maar het werk was zo saai dat ik alleen aan de bewegende treinen achter mij kon zien dat het leven niet stilstond. Dat mijn leven niet stilstond. Maar dat deed het eigenlijk wel. 

Ik heb, kortom, nogal wat gedaan voordat ik besloot om voor mezelf te gaan werken. En dat is een van de beste beslissingen van mijn leven gebleken. Om daar nog wat meer ruchtbaarheid aan te geven liet ik door een goede vriend een prachtige showreel (klikkerdeklik!) maken met daarin een overzicht van mijn werkzaamheden als acteur, stemacteur, presentator en schrijver. 

Het was een behoorlijke reis die begon in de achtertuin van meneer Van H. en mij bracht tot waar ik nu ben. In een trein die, godzijdank, niet alleen in beweging is gekomen maar ook op het juiste spoor rijdt.

 

IMG_4804

Is dat uw dochter?

‘Is dat uw dochter?’, vroeg de ober opgewekt. Naast mij zat mijn zeven jaar jongere vriendin. We waren er allebei even stil van.

‘Pardon?’, vroeg ik.

De jongen die de lunch voor ons op tafel had gezet realiseerde zich dat hij een fout had gemaakt.

‘Nee, niks.’, zei hij en liep iets sneller dan gebruikelijk weg van ons tafeltje. 

Mijn vriendin begon te lachen. Ik nog niet. Ik, die altijd wel zijn woordje klaar heeft, was even met stomheid geslagen. Razendsnel schoten er twee vragen door mijn hoofd. 

Zie ik er zo oud uit? 

Of mijn vriendin juist piepjong?

Hoewel ze wel jonger is dan ik, en ook nog eens heel knap, kan ze niet meer doorgaan voor een achttienjarige. En ik dan? Heb ik het gelaat van een zestigjarige? Nee ook niet. Gelukkig maar. Als ik mezelf hoor zeggen dat ik 42 ben vind ik het maar moeilijk om dat te geloven. Maar goed, t is wel zo. In mijn paspoort staat 3 mei 1976. En Deventer. Daar ben ik geboren. 

Zelf heb ik geen kinderen en ik betwijfel of ik ooit vader word. Mijn vriendin heeft een dochter en dat is te gek. En misschien ook wel voldoende. 

Op zich had het natuurlijk gekund. Ik, een man van 42, met een volwassen kind. Toen mijn vader net zo oud was ik nu, was ik al het huis uit. Mijn ouders waren op hun 42e volwassen en volgroeide mensen. Mensen met verantwoordelijkheden. Met een koophuis in Olst. Lieve mensen die mijn zusje en mij hadden opgevoed. Die ons hadden meegenomen op vakanties naar Frankrijk. Eerst met de trein en later met een huurauto. Met een Fiat Panda. Het koekblik werd zo ontzettend vol gepropt dat onze meegenomen hoofdkussens op de achterbank onder onze billen lagen. Bij elke drempel of oneffenheid in de weg raakte ik met mijn kruin het dak van de auto. Mijn vader die, op de leeftijd die ik nu heb, allebei zijn ouders al had begraven. Mijn moeder die naast haar werk en haar gezin een opleiding in Driebergen afrondde. Mijn ouders die mij troostten toen ik werd afgewezen op de Toneelacademie in Maastricht. Mijn ouders die samen met hun kinderen scholen voor het voorgezet onderwijs hadden gekozen. Die allebei een baan hadden. Halve dagen. Hij werkte ’s ochtends, zij in de middag. Mijn vader die op vrijdag altijd de boodschappen deed, zijn fiets met fietstassen tot aan de achterdeur reed, en de boodschappen een voor een naar ons toegooide. Elke keer weer spannend want als je de ketchup liet vallen had je een bloedbad. Mijn vader die voor zijn 42e al ontzettend ziek was geweest. Die dubbelgevouwen van de pijn op de bank in de woonkamer had gelegen. Mijn vader en moeder die aan de keukentafel brieven schreven voor Amnesty International. Mijn moeder die het contact onderhield met een psychiatrisch patiënte omdat ze anders helemaal alleen zou zijn. Aan wie mijn vader en moeder al hun platen cadeau deden die zij op haar beurt weer had verpatst voor een paar pakjes shag. Mijn vader die een bakfiets huurde toen ik voor de eerste keer binnen Amsterdam verhuisde. Van de Beethovenstraat naar de Watergraafsmeer. Want verhuizen binnen Amsterdam deed je nou eenmaal met een bakfiets. Een romantisch beeld was het wel. Onhandig ook. Ik herinner me nog goed hoe ik in volle vaart op een Jaguar af denderde en pas op het laatst moment de rem, een zware stalen stang tussen mijn benen, omhoog wist te trekken. Mijn ouders die rond Pasen een langwerpig net met snoep, met helemaal onderin een sinaasappel, aan onze deur hingen en bij wie we in bed kropen als we jarig waren.

Kortom, mijn ouders waren op mijn leeftijd al heel volwassen mensen met twee grote kinderen waarvan de een al uit huis was en de ander op het punt stond om een jaar in Straatsburg te gaan wonen. 

Zo bezien is de opmerking van de ober dus helemaal niet zo gek. Ik hád inderdaad best een dochter kunnen hebben. Dat die dochter onmogelijk de leeftijd van mijn vriendin zou kunnen hebben, ach, ze ziet er gewoon een stuk jonger uit dan de leeftijd die ze heeft. En ik misschien wat ouder. Het is prima zo. Want dankzij zijn opmerking reisde ik in gedachten weer even terug naar Olst. Naar mijn ouders. Naar daar waar ik vandaan kom. 

 

De_Bastiaan_en_de_Dorpskerk.jpg

Zakgeld

De zevenjarige dochter van mijn vriendin vraagt me regelmatig of ze geld mag grabbelen. Dat komt zo. Een paar weken geleden had ik wat kleingeld in mijn broekzak. Ik diepte het op en liet haar, de ogen stijf gesloten ogen, een muntje kiezen dat ze mocht houden. Geconcentreerd nam ze de munten een voor een in haar hand en probeerde aan de hand van het gewicht en de grootte het meest waardevolle muntstuk, dat van twee Euro, uit te kiezen. Het lukte. Ze was dolblij en de munt verdween razendsnel in de roze, met klittenband af te sluiten, Hello Kitty portemonnee. Een overblijfsel uit een nog vroegere jeugd.

Twee dagen geleden had ik weer een broekzak vol kleingeld, nam het geld in mij hand, en liet haar twee keer grabbelen. Beide munten mocht ze houden. Het muntje van twee Euro wist ze sneller te vinden dan de vorige keer. Daarna begon het wikken en wegen om de tweede munt uit te kiezen. Ze koos de grootst overgebleven munt, die van vijftig cent, die, om onduidelijke redenen groter is dat het muntstuk van een Euro. ‘Nou ja’, zei ze, ‘ik heb in ieder geval die van twee Euro weer te pakken.’ 

Zelf bezit ik het talent om aan de hand van de vorm, maar vooral door het profiel op de zijkant van de munt, precies te weten wat ik in mijn broekzak heb. 

Op het moment dat de Euro werd geïntroduceerd, op 1 januari 2002, zat ik op de piek van wat later een paniekstoornis bleek. Mijn grootste angst was flauw te vallen. Iets dat uiteindelijk nooit is gebeurd maar wat er wel voor heeft gezorgd dat ik maandenlang geen supermarkt van binnen heb gezien. Te groot, te druk, te licht. Op het moment dat de angst het overnam van mijn verstand stak ik mijn hand in mijn zak en probeerde op de tast te achterhalen hoeveel Euro ik bij me had. Afleiding was het toverwoord. Niet bezig zijn met angst of met wat er allemaal zou kunnen gebeuren maar juist de focus leggen op iets anders. Op de munten in mijn broekzak bijvoorbeeld. Bijkomend voordeel was dat niemand kon zien dat ik in paniek was. Ik stak gewoon mijn hand in mijn zak. 

Een andere manier om ‘bij de les te blijven’ leek daar enigszins op. Ik herinner me een moment in de studio van De Nieuwste Show, een satirisch nieuwsprogramma dat elke werkdag werd uitgezonden. Om onduidelijke redenen was ik gebombardeerd tot ‘entertainmentdeskundige’. Ik interviewde onder andere Youp van ’t Hek, Marco Borsato en Matthijs van Nieuwkerk in de eerste drie weken dat ik daar werkte.

Elke woensdag was ik aanwezig in de studio om daar een entertainmentblokje op te nemen. De eerste take mislukte en vlak voordat we de tweede take gingen opnemen kreeg ik een dijk van een paniekaanval. Bij gebrek aan muntjes in mijn broekzak stak ik mijn hand diep in de zak van mijn pantalon en kneep met duim en wijsvinger hard in mijn bovenbeen. Het voelen van fysieke pijn op een andere plek dan de mentale chaos in mijn hoofd bracht op dat moment enige verlossing. 

Nadat ik ’s avonds kapot was thuisgekomen en ik mijn broek uittrok zag ik een enorme blauwe plek op mijn bovenbeen. De vingers waarmee ik kneep hadden hun stempel achtergelaten.

Aan dat moment in de studio van De Nieuwste Show moest ik denken toen het zevenjarige meisje de munten in mijn hand aftastte. En gelukkig was die herinnering al weer vervlogen toen ze haar roze Hello Kitty portemonnee omkeerde om het geld te tellen dat ze tot nu toe bij elkaar spaarde.

 

Unknown